|
GOD
HUILT |
||
"Toen
Hij, vlakbij gekomen, de stad zag- Lukas 19 vers 41 t/m 42 (Willibrordvertaling)
Om
ons Zijn ogen te geven, om onze ogen te openen voor hoe het er uit de
hoge uitziet voor Gods aangezicht in ons land, laat de Here vele broers
en zussen dingen meemaken en dingen zien. Zo wordt langzamerhand samen
met al de heiligen die verlangen voor zichzelf en voor dit land de
breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van de Here Jezus te zien
en te kennen, ook de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van de
val van dit land duidelijk. Immers,
ons land dankt zijn bestaan als zelfstandige natie aan een zo machtig
ingrijpen van onze God in de loop van onze geschiedenis als volk. En
hoever zijn wij bij dat glorieuze begin van ons volksbestaan
weggedwaald. Een volk, elk volk ontvangt zijn plaats onder Gods hemel
van Hem, Die op de troon zit. En aan het begin van Zijn vorming van ons
land tot zelfstandige natie, nu zo'n ruim vierhonderd jaar geleden,
staat een strijd die gevoerd werd om in vrijheid het geloof in de enige
Zaligmaker der wereld, Jezus, de Zoon van God, niet alleen diep in het
hart, maar ook publiekelijk te kunnen beleven. God zond een man, die
deze strijd ging belichamen, Willem van Oranje, die tot een vader des
vaderlands werd. En zozeer was deze strijd tegen Spanje, die deze
gewesten in haar greep had, een strijd om het geloof, het vrije geloof
in deze Jezus, onze Verlosser en Koning, dat naar het woord van Willem
van Oranje zelf, meer dan vijftigduizend ingezetenen vanwege dit geloof
door de Spaanse bezetter op afschuwelijke wijze ter dood zijn gebracht.
Vijftigduizend, meer dan vijftigduizend van onze voorouders, nog maar
een aantal generaties geleden, aan de vooravond van ons bestaan als
zelfstandig volk, hadden hun leven over voor Hem, deze Ene, Die aan het
begin van elk werkelijk leven en aan het begin van ons volksbestaan
staat, Jezus. Niet
voor niets resoneert nog uit die tijd dat couplet van het Wilhelmus dat
wij tot nu toe als we als volk op belangrijke momenten bij elkaar komen,
op het eerste couplet laten volgen: Mijn
Schild en mijn Betrouwen Hoever
zijn wij hier van weg gedwaald. Ons volk niet alleen, maar al die landen
van Europa, waar in de tijd van de Reformatie het licht van Gods liefde
en genade door het duister heenbrak. Zozeer als wij toen echter als land
en volk door onze strijd voorbeeld en steunpunt geweest zijn voor andere
volken, zijn wij nu in Europa, ja in heel de wereld op tal van gebieden
met regelmaat het gesprek van de dag als het gaat over een voorbeeld van
perversie, van onbelemmerde verslaving, een volk met bloed aan de
handen. Waar
eens het licht van het evangelie en van Gods liefde en erbarmen het hart
van Europa en van ons land uitmaakte, is nu een donker en duister
gordijn onze landen in toenemende mate aan het bedekken, elk leven zoals
God het bedoelt, en zoals leven alleen leven is, langzaam uitdovend. In
het navolgende verslag wordt u meegenomen op een taxirit door een van de
steden van ons land. Zozeer wordt tijdens deze rit duidelijk hoever wij
als volk weg zijn, dat het ons alleen maar brengen kan op de knieën
voor onze God en Vader, en voor de Here Jezus, onze Verlosser en Vriend.
Deze taxirit, die zich eigenlijk uitstrekt over de periode van ruim een
jaar, heeft als passagiers gewone mensen, zoals wij, die bemind worden,
diep bemind, door onze hemelse Vader en de Here Jezus. Wat ze zeggen en
wat ze doen is echter een spiegel waarin wij onszelf als land en volk,
en onszelf als christenen in ons falen en in onze val zien. Op de
volgende pagina's zult u door hun gesprekken en daden geconfronteerd
worden met bergen vuil, en viesheid, en gemeenheid, perversie en
gebrokenheid. Onze God, hen beminnend, hun geschiedenis kennend,
verlangt hen te bevrijden, te genezen, te reinigen, te redden. Voor hen,
die in de taxirit op de volgende pagina's ons leven binnenschuiven,
vraagt Hij onze verbrokenheid, ons gebed. Voor hen, en allen in ons land
waar zij voor staan, voor het geheel van ons land waar zij voor staan,
vraagt Hij ónze reiniging en het offer van óns leven, opdat door ons
sterven met de Here Jezus, Hij, de Levende, Zichzelf door ons heen aan
hen, en aan heel ons land kan tonen. Dan zal het gordijn verdwijnen. Dan
zal leven weer léven zijn. Dan zullen wij de hoge roeping en bestemming
binnenwandelen die wij als volk hebben, om als volk Jezus te laten zien
en te brengen bij andere volken. De
stad waar we doorheen rijden is Utrecht, en de namen van de gelegenheden
en straten zijn echt, evenals de gebeurtenissen. ---
Terug
in de stad moet ik iemand ophalen bij een homobar aan de Oudegracht. Op
straat, tegen de muur van het pand geleund, staan in het licht van de
straatlantaarns twee mannen met de armen om elkaars middel. Een verliefd
paartje. Ik bel aan, -het is een besloten bar-, en zeg dat de taxi er
staat, en even later komt de jongeman die een taxi besteld had naar
buiten en stapt in. Naar een stadje ergens buiten Utrecht. Onderweg
haalt hij zijn mobiele telefoon uit zijn zak en belt zijn vriend wakker.
In een duidelijke poging om hem jalours te maken, vertelt hij dat hij
vanavond chance had, en dat hij het wel een hele leuke jongen vond. En
hij had ook nog iets heel geils meegemaakt. Hij was aan het dollen
geweest met de barman, en met het stukje ijs uit zijn drankje hadden
ze een leuk spelletje gespeeld: het stukje ijs in elkaars mond laten
glijden en daarbij flink tongzoenen. Weer
terug in de stad kom ik bij het nachtelijk Centraal Station.
"Boven" (in taxi-jargon) wacht ik op het Stationsplateau of
er nog wat late passagiers uit het Station komen lopen. Een jongeman,
met duidelijk haast, komt op de taxi af en stapt direct in. "O, wat
ben ik blij dat ik veilig binnen zit", zegt hij. "Ik heb dat
nog nooit gehad, maar anders kijk ik ze ook nooit aan, en nu wel!".
Op het vrijwel verlaten Station hangen om deze tijd altijd nog wel een
aantal van de vele, vele harddrugsverslaafden rond, die Utrecht-Centrum
heeft. Toen hij een van hen in de ogen had gekeken, had die een aantal
anderen een teken gegeven, en waren ze hem gaan volgen. Doodsbang was
hij uiteindelijk zo haastig mogelijk naar de taxistandplaats gelopen. Het
is half twee als ik uiteindelijk in een nachtelijke straat twee nieuwe
klanten ophaal. Vader en zoon naar later blijkt. De vader is duidelijk
beschonken. Ik krijg een flink bedrag vooruit, met de mededeling dat ik
zometeen eens iets mee zal gaan maken...! We rijden naar het andere eind
van de stad, en onderweg maakt hij mij duidelijk: we gaan iemand
vermoorden. Als jij wilt mag je haar eerst nog hebben. Weet je wat: je
krijgt van mij hondervijftig gulden als je sexueel dit en dat bij haar
doet, terwijl wij toekijken. Nou? Ondertussen zijn we in de straat waar
ze moeten zijn. "Ouwe, rustig an nou, hè?!", zegt de jongen
achterin, tegen zijn opgefokte vader. Ze blijken het juiste adres niet
meer precies te weten en besluiten uiteindelijk aan te bellen waar ze
denken te moeten zijn. Terwijl zijn zoon hem probeert te kalmeren, bonkt
pa op de deur, de ramen, de bel van het in het donker gehulde huis waar
hij vermoed dat hij moet zijn. Niemand reageert. Zijn zoon weet hem weer
in de auto te praten en daar zegt hij, klagelijk opeens, en verslagen:
"Ze heeft me in de steek gelaten, man, ze is gewoon weggegaan.
Zoveel jaar zijn we getrouwd en nu is ze opeens weg. Ik word helemaal
gek. Echt, ik ben normaal niet zo". Even later zet ik ze bij het
beginpunt, hun eigen huis weer uit. Even
later stop ik op de Mariaplaats om een man binnen te laten die uit een
van de kroegen in het Centrum van de stad komt. Ik zet de deur vast voor
hem open en ga weer op de bestuurdersplaats zitten. Onvast komt hij
aangelopen, struikelt de auto binnen, en kijkt me vanuit zijn over de
voorbank liggende positie, zijn benen nog buiten boord, verbaasd aan. Zo
van: hoe kom ik hier nou zo? Ik vraag hem waar hij heen moet. Voor mij
een normale vraag, maar in hem wordt de argwaan wakker.
"Sterrenwijk". "Oké, maar welke straat?".
"Waarom moet jij dat weten?". "Dan weet ik hoe ik het
best kan rijden", zeg ik. Maar het antwoord bevredigt hem niet. Hij
vertrouwt het niet, en besluit te gaan lopen. Terug
op het Stationsplateau. Ik sluit me achter aan bij de rij taxi's die in
het donker langs de rand van de stoep staan, wachtend op een mogelijke,
late passagier. Een van de bekende dakloze verslaafden komt langs de
raampjes van de taxi's. Hier krijgt hij wat; daar biedt hij iets te koop
aan. Hij kent ondertussen zijn klantjes. Hij levert zelfs op bestelling.
Overdag steelt hij het gevraagde uit de winkels. Een nieuwe dakloze komt
langs. Hij laat zich niet zomaar afpoeieren. Een werkelijk supersonische
stereotoren, die hij bij elk raampje weer beschrijft, probeert hij aan
de man te brengen. Hij is duidelijk wanhopig. De prijs zakt dramatisch,
maar niemand wil hem hebben. Hij is buiten zijn schuld om op straat
komen te staan, vertelt hij me, en dit zijn zijn eerste nachten buiten.
"Ik heb ergens nog een klein beetje van m'n huisraad opgeslagen
staan en probeer dat overdag te verkopen om te proberen 's nachts ergens
binnen te kunnen slapen en iets te eten te hebben. Maar vandaag heeft
niemand iets gekocht. Ik ben nog niet gewend aan de kou 's nachts
buiten". Utrecht heeft meer dan duizend dak- en thuislozen. Het
loopt tegen zes uur in de morgen, en ik moet een klant ophalen bij een
van de sluitende bars in het centrumgebied. Een jongeman, een jaar of
dertig, met de sporen van een nacht doorgebracht in de kroeg op zijn
gezicht, stapt in. We zijn het straatje nog niet uit of hij vraagt:
"Heb jij nu genoeg aan driehonderd gulden per dag?".
"Nou, dat zal wel lukken", zeg ik droog. "Nou, ik maar
net", zegt hij. En dan volgt heel zijn verhaal. Dagelijks gaat hij
er op uit met de trein om in andere steden en dorpen van ons land goede
mountainbike's te stelen. Terug in Utrecht zet hij ze voor driehonderd
gulden te koop, en komt zo aan zijn inkomen. Als ik zwijg, begint hij
zich te verontschuldigen. Hij is verslaafd, en wat moet je anders doen
om aan de dope te komen. Op een gegeven moment vraagt hij door, en als
ik iets over mijn geschiedenis en over de machtige liefde van Jezus
verteld heb, barst hij uit: "Weet je, ik ben van binnen zo rot als
een mispel. Ik ben helemaal niks. Soms ben ik bang van mezelf". Hij
wil stoppen met zó leven. Hij blijft doorvragen, tot in de diepste
dingen wil hij weten of Jezus echt het antwoord is; of Hij echt houdt;
of Hij echt blijvend en diep dingen anders maakt. Een hele generatie
wacht op onze levens om het te tonen. Zo
tussen half zes en half zeven 's morgens lopen in het weekend in het
centrum de bars en discotheken leeg. Duizenden jongeren zoeken na een
nacht van dansen en schreeuwen, drinken en chancen hun weg naar huis.
Taxi's rijden af en aan om de feestvierders tot ver in de omtrek weg te
brengen. Twee
jongens en twee meisjes stappen in. Nog vrij jong. Vijftien jaar, hoor
ik even later. Ze hebben alle vier stevig gedronken, maar de jongen die
voorin stapt is er echt slecht aan toe. Met bloeddoorlopen wezenloze
ogen kijkt hij mij even aan. Onder het rijden zakt zijn hoofd regelmatig
op zijn borst. Gelijk daarna heft hij hem dan weer op en brult iets wat
zijn mannelijkheid moet bewijzen. Vieze taal. Opeens geeft hij aan dat
ik direct moet stoppen. Ik vermoed waarom, en zet de auto direct aan de
kant. Wezenloos loopt hij een poosje buiten op de stoep rond, maar er
komt niets. Als z'n "makkers" roepen dat hij nu maar weer
binnen moet komen, en dat ze zo thuis zijn, slaakt hij nog enkele
heldhaftige brullen en zakt weer in de stoel. Aangekomen op hun adres
stappen de andere drie uit, en laten het aan hem over om te betalen. Hij
heeft een half uur voor sluitingstijd uit stoerheid nog van alles door
elkaar en direct achter elkaar naar binnen gewerkt, had ik gehoord van
de anderen, dus erg vlot ging het betalen hem niet af. Hij stapt uit om
tegen een boom geleund beter bij zijn portemonnee in zijn broekzak te
kunnen, maar voordat hij zover is, slaat hij dubbel en leegt zijn maag
keer op keer aan de voet van de boom waar hij steun zoekt. Zijn makkers
lopen, zich drukkend voor het betalen, wat steels naar de deur van hun
flat, en roepen dat hij moet komen. Terug
in het centrum houden drie jongens me aan. Ze geven hun adres op en we
rijden weg. Onderweg gaat het gesprek over de kwaliteiten van de meisjes
waar ze afgelopen nacht mee hebben gedanst en gedronken, gekust en
gepraat. Het gaat om meerdere meisjes, want ze zijn in de Dansfabriek
geweest, in Get Down, en zo nog een aantal discotheken. Een van hen
spreekt zijn sexuele voorkeur uit voor jonge meisjes. "Ik wil ze
niet meer boven de tien", zegt hij. Even later, -zijn gedachten
zijn verder gegaan-, zegt hij het kleine zusje van zijn ene vriend wel
heel aantrekkelijk te vinden. Ze zijn het met elkaar eens. En als even
later de fantasie een nieuw dieptepunt vindt in: "Jouw moeder,
daar zou ik het ook wel eens mee willen doen", wordt er rustig
doorgepraat over het inderdaad wel aantrekkelijke van die gedachte.
In
de Lange Viestraat houdt een jongeman de taxi staande. Aan zijn strak
gezicht en bloeddoorlopen ogen te zien, heeft ook hij er al een hele
nacht opzitten, mogelijk met drugs. Op weg naar zijn huis begint hij
opeens: "Weet je wat ik lekker vind? Een pilletje (XTC, of iets
dergelijks) en dan seks". Als ik niet reageer, vraagt hij of ik ook
van jongens hou. Wanneer ik zeg van niet, en dat sowieso omdat ik heel
veel van de Here Jezus en van de hemelse Vader hou, ik zo niet met
sexualiteit omga, zegt hij: "Jammer. Had gekund, toch?". Over
de computer krijg ik het adres door van de volgende klant. Iemand in de
nachtclub aan het eind van de Amsterdamsestraatweg. Als ik de trap
oploop, komt de arabisch klinkende muziek me al dreundend tegemoet.
Net als ik wil kloppen, gaat de deur open en een vrouw steekt haar
verhit gezicht naar buiten, geeft me onverwacht een hatelijke schreeuw
net boven de herrie uit vlak in m'n gezicht en gaat weer naar binnen. Ik
loop langs de rand van de dansvloer naar de grote bar tegen de
achterwand, om de barkeeper te vragen wie er een taxi besteld heeft. Op
de dansvloer draaien de paartjes zinnelijk tegen elkaar aan. Ook twee
vrouwen. Anderen zitten verveeld achter een glas bier aan tafeltjes
langs de wand. Uit het gekleurd verlichte donker van de grote dansvloer
haalt iemand degene die een taxi besteld had. Een buitenlandse man,
zoals de meesten hier in deze plek waar vooral arabische muziek wordt
gedraaid. In de taxi kreunt de man, en zegt dat hij zich zo schaamt voor
zijn familie, dat hij vannacht hier geweest is. Maar hij had zich alleen
gevoeld. Het
is ondertussen dag geworden. Als ik langs een bushalte rij in Lunetten,
steekt de jongeman die daar staat zijn hand op. De bus was net voor zijn
neus weggereden en hij wil naar het Centraal Station. Al pratend wordt
duidelijk dat hij naar Rotterdam wil en daar voor een vriendenprijsje
best heen gebracht wil worden. Zo gebeurt. Hij is Marokkaans, oogt zeer
sympathiek, en ik voel de liefde van de Here voor hem, ook al begint hij
de meest afschuwelijke dingen te zeggen. In de Verenigde Staten zijn die
week de torens van het World Trade Centre onder het geweld van
binnenvliegende vliegtuigen gevallen, en hij is er vol van. Israël is
de schuld, dat is duidelijk, zegt hij. Amerika helpt Israël, en dat is
stom. Israël vermoordt Palestijnse kinderen en zit achter heel veel
kwaad in de wereld. Het moet uitgeroeid worden. Uit mijn reageren en
niet reageren merkt hij iets. Hij kijkt me bevreemd aan en vraagt of
ik soms zelf Jood ben. Ik mag het gerust zeggen, hoor, je moet open over
dingen kunnen praten. "Wel", zeg ik, "Ik ben niet Joods
van geboorte, maar ik hou heel veel van de Here Jezus, en Die heeft het
Jood-zijn aangenomen, Die is Jood. En omdat Hij in mij woont, wordt ik
ook steeds Joodser!". Er ontwikkeld zich een gesprek -we hebben
alle tijd tot Rotterdam- waarbij hij de merkwaardige combinatie blijkt
te hebben van de meest extremistische fundamentalistische moslim
inzichten, en het vermogen om vervolgens rustig te luisteren naar
woorden die volledig haaks staan op wat hij zojuist zei. Dat het land
Israël Gods land is, wat Hij geeft aan wie Hij wil. Dat Hij gekozen
heeft het aan het Joodse volk, aan Israël te geven. Dat ze het door de
geschiedenis heen steeds alleen maar houden als ze in liefde en
overgave met de HERE God leven. Dat de Palestijnen er alleen, en alleen
in vrede kunnen leven wanneer ze Israëls roeping en positie erkennen...
het passeert allemaal de revue. Hij is het volledig met me eens als ik
zeg dat Israël ook nu nog door veel moeilijkheden heen zal moeten om
haar vertrouwen op haar leger en intelligentie kwijt te raken, en alleen
nog op de God van Israël te vertrouwen. Merkwaardig. Terwijl we verder
praten over het wereldgebeuren, uit hij zijn zwartgallig levensgevoel.
Hij is nu dertig jaar. Hij verwacht dat alles uit de hand gaat lopen en
alles in oorlog en vuur zal ondergaan. Als hij de veertig haalt zal hij
tevreden zijn. Ouder hoeft hij niet te worden, want het leven stinkt en
heeft niet veel te bieden. De
houseparty in de hal van De Vechtse Banen gaat uit. Er zijn te weinig
bussen ingezet om de vele duizenden jongeren naar het Centraal Station
te brengen, dus taxi's rijden af en aan. Merkwaardig hoe verschillend
deze jonge mensen reageren op een nacht lang opgenomen geweest zijn in
een baarmoeder van oorverdovend geweld, met versnelde harteklop,
lichtflitsen en orgiedronken dans van naakte vrouwen in een aantal
kooien opgehangen aan het plafond boven hun hoofden. Sommigen ogen zo
fris als een hoentje. Anderen hebben een vreemde blik in hun ogen en
zijn vol agressie. Als een van hen in de volgeladen taxi op weg naar het
Station die agressie verbaal op mij richt, kalmeren de anderen hem. Een
cameraman en tv-verslaggever uit Japan stappen in. Hun apparatuur hebben
we in de kofferbak geladen en nu gaan we richting Schiphol. De
verslaggever vertelt dat zij nu al in korte tijd voor de vierde keer in
Holland zijn. Hij vindt het heel bijzonder dat zo'n klein land zo vaak
de aandacht van de internationale pers weet te trekken. Hij graaft in
zijn herinnering en somt op: "Eén keer waren we hier om jullie
euthanasiedebat in het parlement te verslaan, en een keer om het debat
over het homohuwelijk vast te leggen, en een poosje later moesten we wat
plaatjes schieten van de eerste officiële homohuwelijken in Amsterdam,
en nu zijn we op een groots opgezette Wietbeurs geweest. Allemaal dingen
die in ons land en overal ondenkbaar zijn. Jullie zijn echt een
voorbeeld van vrijheid voor de wereld. Zoals daarnet ook, dat buiten een
politieagent het vele verkeer voor de bezoekers van de Wietbeurs staat
te regelen, en dat binnen mensen vrijelijk lopen te blowen en van alles
te koop is wat met Wiet en dergelijke te maken heeft, dat is bij ons
ondenkbaar". Ik leg uit dat dit een vrijheid is die je niet hoeft
te verlangen, omdat die onherroepelijk Gods reactie, omdat Hij de
Beschermer van het leven is, over je land afroept. Er
is een taxi besteld in een van de kelders onder de Oudegracht, waar een
afterparty aan de gang is. Allemaal jongelui die er al een nacht op
hebben zitten in de vele discotheken en kroegen in het centrum, en die
toen iedereen om een uur of zes, zeven in de ochtend naar huis ging,
hier nog even door wilden feesten tot een uur of half elf. Ik loop de
trap af naar beneden, om langs het water van de Oudegracht naar de
ingang van de kelder te gaan. Twee potige uitsmijters staan aan
weerszijden van de deur. "Taxi", zeg ik, en word binnengelaten
in een soort halletje, waar iedereen gefouilleerd wordt en door een
elektronisch poortje moet om eventuele wapens te ontdekken. De eigenaar,
die hier ook staat, weet niet wie een taxi gebeld heeft, maar wil wel
even binnen kijken. In de smalle, ronde, diepe buis die deze kelder
onder de Oudegracht is, is het volledig donker. Alleen lichtflitsen van
steeds maar een fractie van een seconde verlichten de dicht opeengepakte
deinende zee van jongeren die zich als zombies bewegen op de
ongelofelijk harde, alles overstemmende dreunende muziek in de vrij
kleine ruimte. Even later duikt de eigenaar weer uit de menigte op.
"Ik stop er mee", zegt hij. "Ik heb het aan een paar
gevraagd of ze een taxi besteld hadden, maar ze zijn helemaal gek
daarbinnen. Sorry". Bij
MacDonalds aan de Oudegracht haal ik even later een jongen en twee
meiden van een jaar of vijfentwintig op, die ook van een afterparty
komen. Het is nu half elf in de morgen, en deze meiden en deze jongen
hebben hun bed inmiddels al meer dan vijfentwintig uur niet gezien.
(Feestvierders zelf verzekeren me steeds dat zoiets zonder XTC of andere
drugspillen niet kan). Ze zijn volledig doorgedraaid. Het ene meisje,
wat voorin is komen zitten, verontschuldigd zich er voor. De twee
achterin zijn het verste weg. De jongen zit alle ledematen die hij het
meest bewonderd van het meisje naast hem te benoemen, en noemt haar een
hoer. Zij ontkent: "Ik ben geen hoer. Ik ben een sletje. Ik vraag
er nooit geld voor". Als ze even later vindt dat hij te ver gaat,
zegt ze, zonder echt boos te zijn: "Als ik dit allemaal aan m'n
vriend vertel, pakt hij zijn pistool en schiet je zo door je kop".
"Jullie zijn echt helemaal doorgedraaid!", zegt het meisje
voorin. Even later griezelen ze allebei als de jongen achterin begint te
roepen: "Kijk eens, hé, kijk eens". "Doe weg, man, Doe
die broek dicht man, viezerik". Ongelofelijk. Boven,
op het Stationsplateau, hebben twee chauffeurs die voor mijn taxi staan
ruzie. Ze zijn beiden Marokkaans, en schelden elkaar heftig uit. In een
poging om elkaar te overtreffen met woorden, verlaagt de ene zich door
de ander te dreigen hem in de anus te zullen nemen. Als de ander daar
niet van onder de indruk blijkt, weet hij nog maar één ergere
belediging om de ander te treffen. Het spuit er uit, met haat vervuld,
slechts één woord: "Jehudi" ("Jood"). Dat brengt
de ander in beweging. Fel schreeuwt hij terug dat die ander een Jehudi,
een Jood is. Wat moet dat worden als deze furie, deze grenzeloze,
redeloze haat nog eens losgelaten zal worden op Gods volk, het Joodse
volk, in ons land, in Israël, over heel de aarde. Zijn wij er gereed
voor om nu en dan voor hen op te komen, hen te beschermen en indien
nodig te verbergen?! Op
de busbaan langs het Smakkelaarsveld, vlak bij het Centraal Station, is
een van de dakloze verslaafden gaan zitten. Een busschauffeur die vanaf
CS komt en via de busbaan richting stad wil rijden, toetert en stopt een
paar meter voor hem. Uitdagend en uitnodigend gebaart de dakloze de
chauffeur dat hij wel verder mag rijden, over hem heen. Als er van de
andere kant ook een bus nadert, gaat hij languit liggen, zodat hij beide
rijbanen verspert. Gelaten grijpt de eerste busschauffeur naar zijn
mobilofoon, om de centrale en zo de politie in te schakelen. Ondertussen
loopt het verkeer helemaal vast.
Een
jonge vrouw van een jaar of vijfentwintig vraagt me te helpen als ik op
het bestelde adres kom. Een gigantische hoeveelheid plastic tassen, vol
met kleren en allerlei spullen, staat gereed en moet in de kofferbak en
op de achterbank. Naar het Centraal Station. Maar onderweg moet ik wel
even stoppen bij "de tunnel", onder HoogCatherijne, waar in
het neonbeschenen donker allerlei drugs word verhandeld en gebruikt.
"De hel van de tunnel", beschreven daklozen in hun Straatkrant
deze plek. Ze heeft haast, want ze moet een internationale trein
halen. Vlak bij de tunnel gekomen, springt ze uit de auto en roept
vragend aan een aantal verslaafden die in de buurt staan: "Bruin?
Bruin?" Ze wijzen naar een man een stukje verderop, die de begeerde
drugs verhandelt. Wanneer ik haar even later geholpen heb de vele tassen
op het perron te brengen en terug loop naar m'n taxi, roept een collega
uit zijn geopend raampje: "Gaat ze weg? Dat was een paar jaar
terug, toen ze net uit Rusland kwam, een mooi mokkel. Ze is hier
helemaal naar de bliksem gegaan. Zonde van de meid!". Het
is rond de klonk van drieën. Tijd om door heel de stad heen de
schoolkinderen bij de verschillende scholen op te halen en thuis te
brengen. Ik rij naar de school die ik over de computer doorkrijg, en
vraag naar de kinderen met de doorgekregen namen. Vier Turkse meisjes
stappen in. Naar Kanaleneiland. Ik vraag hoe hun dag was en wat ze
gedaan hebben, en ze vertellen. Als we bij een verkeerslicht wegrijden,
zegt het meisje naast me tegen haar klasgenootje achterin: "Ohoh,
dat zag ik. Jij stak je tong uit naar die meneer. Je toonde geen respect
naar oudere mensen!". Ik verbaas me, en hoor als het ware haar
ouders door haar heen. "Nou", zegt het meisje achterin
verongelijkt, "alsof jij altijd alles goed doet!". Als
ik even later een tweede schoolrit heb, verbaas ik me opnieuw over het
verschil als dag en nacht van de vorige kinderen met deze kinderen. Ze
zijn Marokkaans, en hoe komt dat toch, wat is er toch met vooral de
jonge generatie van de Marokkaanse Nederlanders? Een paar van hen zijn
zo jong dat ze nog amper uit hun woorden kunnen komen, maar de ene golf
viezigheid na de andere golft uit hun monden. Perverse dingen, die
ouderen, en laat staan zulke jonge kinderen helemaal niet zouden moeten
weten, maar die blijkbaar de (gedachten?) wereld zijn waarin zij leven.
Incest en de meest perverse sexuele uitspattingen golven als braaksel
door de auto, niet te stoppen. Arm volk. Wie ontfermt zich over jullie
kinderen en jongeren? Hun grote broers hebben al jaren het grootste deel
van de prostitutie en de misdaad in handen in Utrecht. Wat moet er van
hen worden? M'n
laatste schoolrit voor deze middag: drie Nederlandse jongetjes. Een van
hen, die voorin gaat zitten, is een jaar of tien. Een gaaf, open
mannetje, die me al direct begint te vertellen over een
boekenleesproject in hun klas. Hij heeft een boek uitgekozen, zegt hij
-en ik hoor zijn moeder-, met niet teveel geweld erin, maar wel
spannend. De schrijver heet Paul van Loon, en het gaat over Dolfje
Weerwolfje. Hij verteld het hele verhaal, en ik gruw. Maar dat kan ik
dit kwetsbare, fijne kleine mannetje niet zomaar plompverloren zeggen!
Ik realiseer me weer eens te meer hoezeer het nú tijd is dat wij als
christenen wakker worden en opstaan, en onze landgenoten helpen te zien
wat er aan de hand is. Een hele generatie kinderen wordt vergiftigd met
occulte verhalen en symbolen, niet alleen rechtstreeks uit het brein van
satan, maar rechtstreeks uit zijn realiteit. Via boeken als die van
Paul van Loon en Harry Potter, die tot in de Albert Heijn's en de Hema's
over heel ons land worden gepromoot, en waar de kinderen op af
vliegen, en via allerlei griezel- en horrorfilms en occulte
computerspelletjes wordt onze jeugd door satan ingewijd
in de grondbeginselen van de binnenkant van zijn vuile koninkrijk. Een
wereld van angst en griezelige wezens en rituele moorden komt hun ziel
binnen, en wat denk u dat het uiteindelijk doel is van deze
zoetgevooisde rattenvanger van Hamelen?! We moeten echt wakker worden,
verbroken worden, onze plaats in de Here Jezus door Zijn genade weer in
gaan nemen, want satan neemt dit land volledig over!!! Een
Amerikaanse zakenman. Hij moet naar Amsterdam en na gezamenlijke
inspanning, waarbij hij het Stratenboek voor zich heeft, vinden we het
hotel waar hij geboekt heeft bij het Rembrandtplein. Hij vraagt me te
wachten tot hij ingecheckt en zijn koffer op zijn kamer gebracht heeft.
Daarna wil hij naar een ander adres in Amsterdam. Ik parkeer de taxi aan
de rand van het plein naast een vol terrasje voor een café. Het is mooi
weer en de pratende en drinkende mensen genieten er duidelijk van en
kijken ondertussen naar de passanten. Opeens loopt er een man voorbij op
hoge hakken, zijn benen in zwart-doorzichtige kousen met jarretels, en
in een gazen slipje, wat aan de achterkant een verticale opening heeft,
waardoor je zijn blote bilspleet ziet. Een travestiet. Een nauwsluitend
hesje met nepborsten en een opgetut gezicht maken het beeld compleet.
Vanaf het terrasje klinkt applaus als hij op hoge hakken voorbij
schuifelt. Hij buigt licht en loopt weer door. Even verder spiegelt hij
zich voor een etalageruit en schikt zijn nepborsten. Nederland
applaudiseert. Moet kunnen immers. God in Zijn liefde is het Die
werkelijk van deze man houdt, en van de mensen op het terras van de
samenleving. Zijn gemeente in dit land kan noch meeklappen, noch
hoofdschuddend afkeuren en haar weg vervolgen. Onze tijd is op. Er moet
werkelijk iets bij ons, Gods kinderen, veranderen, opdat dit land Jezus,
in Zijn heilige liefde weer
ziet, door ons heen. Terug
in Utrecht. Het Holland Casino vraagt om een taxi. Een Chinese jongeman
stapt in en we rijden naar zijn huisadres. Hij haalt even iets op in
huis en daarna keren we weer terug naar het Casino. Wat schaapachtig
vraagt hij daar: "Je kunt zeker niet wisselen?", en laat me
een aantal duizendjes zien die hij blijkbaar net thuis is wezen halen. Even
later stapt bij het Casino een echtpaar de taxi in. Naar een plaats
buiten Utrecht. De man is overdreven vrolijk en luiddruchtig. Zeker veel
gewonnen, denk ik. Maar het tegendeel blijkt het geval. "Ben je
boos op me?", vraagt hij opeens aan zijn vrouw, die achterin zit.
"Nee hoor". "Joh, wat kan het ook schelen. Het is maar
geld". zegt hij. "Huhhuh", beaamt zij. Hij probeert haar
en zichzelf nog een poosje te overtuigen dat het allemaal niets
uitmaakt, maar zegt dan opeens: "Dat waren wel heel veel
maandsalarissen". Even later, naar mij: "Ga er nooit heen,
chauffeur. Je gaat er kapot aan. Wij zijn een week lang elke dag
geweest, maar we gaan nooit meer!". Als
ik later opnieuw voor het Casino sta te wachten, komt er een Marokkaanse
collega bij me staan voor een praatje. Hij is vol van iets wat afgelopen
nacht gebeurd is, en overweegt nog steeds om aangifte te doen bij de
politie. Verontwaardigd vertelt hij me hoe afgelopen nacht van ongeveer
half twee tot een uur of drie op een taxistandplaats waar meerdere
taxi's stonden een meisje van amper vijftien jaar van de ene taxi naar
de andere zwierf en met de chauffeur flirte. Eerst één chauffeur, en
een half uurtje later een andere, beiden Marokkaans, hadden haar
meegenomen in hun auto en kwamen even later weer met haar terug. Een van
hen was bij deze collega komen opscheppen dat ze seks hadden gehad,
waarop deze bijna was geëxplodeerd. Hij had thuis een dochtertje van
dezelfde leeftijd en walgde van heel het gebeuren. Met de felheid
Marokkanen eigen, had hij gezegd: "Joh, maak dat je wegkomt. Als
ik een mes bij me had zou ik het nu in je buik steken. In Marokko zou je
hiervoor gevild worden!". Een
bordeel aan de Voorstraat. Van de buitenkant ziet het er uit als een
gewoon huis. Ik bel aan en meld door de intercom dat de taxi er staat.
Even later komt een meisje van achttien jaar naar buiten, met haar
handen vol met een tas en een paar laarzen. "Mijn attributen",
zegt ze als ze instapt. We gaan naar de Vleutenseweg, naar een ander
bordeel. "Daar kan ik meer verdienen", legt ze uit. "Hier
komen geen buitenlanders, en daar wel. Dat verdient veel beter".
Het gesprek komt op het geloof, en ze geeft aan dat ze zoekende is. Ze
heeft pas heel de Koran doorgeworsteld en wil nu aan de Bijbel beginnen.
Ik vertel haar van Gods liefde voor haar. Hoe Hij niet veroordeelt, maar
je leven wel totaal nieuw maakt. Ze zal er over denken, zegt ze.
Over
de computer krijg ik een bekend adres door. Ik heb haar nu al een keer
of vijf gereden. Eenmaal met haar kleine dochtertje naar het
winkelcentrum, en vier keer 's avonds naar het Zandpad, waar ze als
prostituée in een van de woonboten voor het raam zit. Ze heeft een man,
en al een paar keer hoorde ik ook haar dochterje boven huilen als haar
mama 's avonds weer wegging. Ze is nog maar een jaar of vierentwintig en
komt uit een Afrikaans land. Een klein, grappig, vrolijk grietje. Het
zou je zusje kunnen zijn. Ze heeft een vast ritueel om haar bravour te
bewijzen. Als ze ingestapt is doet ze pas omstandig de rits van haar
gulp dicht. Bravour. Haar vrolijkheid is opgelegd en meestal bereikt met
iets stimulerends wat ze net gebruikt heeft. Een keer kon ze het niet
volhouden, neerslachtig als ze was, en bekende dat ze er maar wat graag
mee zou stoppen. Maar er is iets (of iemand) wat (die) haar dat
verhindert. Wat ik haar vertel wil ze eigenlijk niet horen. Ze zit
gevangen, en ziet geen uitweg. Daarom maar niet teveel nadenken en
"vrolijk" verder gaan. Een
jonge vrouw met een klein jochie aan de hand komt op het bestelde adres
snel naar buiten gelopen als ik voorrij: "Gelijk wegrijden",
zegt ze gejaagd als ze instapt. Ik vraag niets en rij op haar
aanwijzingen snel door een wirwar van straatjes tot naar het Centraal
Station. Ergens onderweg raakt ze iets ontspannener en begint te
vertellen. Ze is Marokkaans en ook getrouwd met een Marokkaan, die ze nu
ontvlucht. Hij sloeg en mishandelde haar, hield haar zoontje van haar
weg, sloot haar op, verscheurde haar paspoort, maar nu is het haar
gelukt om te ontsnappen en haar zoontje mee te nemen. Bij het Station
gaat ze een bekende bellen die haar wil helpen naar het buitenland te
vluchten. "Ik ga een totaal nieuw leven opbouwen", zegt ze
vastbesloten. Het jochie op haar schoot knabbelt tevreden op wat hij uit
een klein zakje chips opdiept. In
Hooggraven stappen ze in. Beiden buitenlands. Naar een plaatsje buiten
Utrecht. Daar bij zijn huis aangekomen, gaat hij naar binnen om geld te
halen, en stort zij ondertussen haar hart uit. Ze is Oostduitse. Vroeger
in de voormalige DDR had ze een verantwoordelijke taak op een
collectieve boerderij als cheffin melkproductie. Op haar negende werd ze
door Russische soldaten verkracht. Na de val van de Berlijnse Muur is ze
gaan zwerven en onderweg verslaafd geraakt aan de drugs. Afgekickt, weer
verslaafd, opnieuw afgekickt, opnieuw verslaafd... Ze is wanhopig. Wil
er vanaf. Ze geeft me haar naam op een briefje en vraagt of ik de
komende tijd voor haar wil bidden. Als de man terugkomt, rijden we weer
naar Hooggraven. Daar staan een aantal Marokkanen op een straathoek te
dealen. Voorzien van waar hun lichaam om schreeuwt, maar wat hun ziel
haat, breng ik ze daarna weer terug naar huis. Ze
was me al eerder opgevallen, op straat, maar nu heb ik haar in m'n taxi.
Een jonge vrouw, groot, dag in dag uit gekleed in een gigantische,
lange, wijdvallende jurk van zachtglanzende Gotische stof. Ze is
geschminkt als een lijk: lijkbleek gezicht met volledig dik zwart
geverfd rondom haar ogen. Als ze op straat voortschreed -een ander woord
kwam me nooit te binnen- ging er van haar trotse verschijning een zwarte
dreiging uit. Ik had altijd het gevoel alsof zij niet alleen was, en dat
je haar beter uit de weg kon gaan. Er lopen nog wel een aantal jonge
vrouwen door Utrecht, gekleed zoals zij, maar die hebben die donkere
aanwezigheid niet. Op een keer zag ik haar in de stad lopen, terwijl uit
een geopend raampje een passerende automobilist haar uitschold. Ze
haalde zonder verdere reactie trots een zakboekje uit haar jurk en
schreef rustig het kentekennummer op. Op een of andere manier had ik het
idee dat dat niet naar de politie zou gaan, maar dat die automobilist
niettemin in de komende tijd problemen, zware problemen zou krijgen. Ik
bad de Here om dat te verhinderen. En ik bad voor haar. En nu zit ze in
m'n taxi, terug van een feest, elders in het land, met allemaal mensen
zoals zei. Ze lopen allemaal altijd in Gotische kleren en schminken zich
als lijken. Waarom kan ik de indruk toch niet van me afschudden dat het
allemaal met satan te maken heeft? Ze is vrolijk en wil verder nergens
over praten, maar ik ben op m'n hoede en bidt dat haar trots breekt, en
ze zal zien dat niet zíj macht heeft door haar levenswijze, maar dat ze
in tegendeel zelf gebruikt wordt, en in het eind daar zeer ongelukkig
door zal zijn. Twee
jonge mannen zijn achter ingestapt en willen naar het centrum.
Onbeschaamd, in volledige overtuiging dat de wereld waarin hij leeft, de
wereld is waar immers iedereen in leeft, vertelt een van hen aan zijn
vriend hoe zijn moeder iets geroken had boven, op zijn slaapkamer.
"Weer een vriendinnetje boven gehad?", had ze gevraagd. Op
zijn bevestigend antwoord had ze gezegd: "Doe je wel
voorzichtig?". "Moet jij nodig zeggen", was zijn reactie.
"M'n moeder lust er namelijk wel pap van", vertrouwt hij de
ander toe. "Je maakt mij niet wijs, dat zij ook altijd veilig
vrijt". Een
vrouw van een jaar of vijfenveertig stapt in bij het café waar ze me
besteld heeft. Ze heeft heel wat teveel gedronken, en laat zich op een
gigantische manier gaan. Ik ga zo min mogelijk op haar woorden in, en
ben van binnen vastbesloten de dronkemansvertrouwelijkheid van haar
handen op mijn armen niet verder te laten gaan. Vlakbij haar huis
gekomen, laat ze opeens blijken best door te hebben wat er gaande was,
want ze zegt: "Je hebt het goed gedaan, jochie. En je hebt goed
geluisterd". Gaandeweg was namelijk het verhaal eruit gekomen:
scheiding, financiële problemen, haar ex-man die haar geërfd ouderlijk
huis af wil pakken... "Stop hier maar", zegt ze, "dan kan
m'n zoon niet zien dat z'n bijstandsmoeder met een dure taxi uit het café
thuiskomt". Een
onbekend adres. Ik bel aan bij het nummer van de flat wat ik heb
doorgekregen. "Ja?", zegt een ietwat achterdochtige stem over
de intercom. "Taxi". "Oké, ik kom er aan". Ik stap
weer in de auto en zie even later een jonge vrouw vanuit de hal van de
flat in het donker naar buiten kijken of inderdaad de taxi er staat.
"Europalaan", zegt ze, als ze is ingestapt. En ik realiseer me
dat ze prostituée is. Aan de Europalaan staan bijna alleen
drugshoertjes. Zou zij ook verslaafd zijn? Ik begin een praatje, en zij
vertelt. Wat ik hoor schokt me. Hoe bestaat het, dat er telkens weer
dingen kunnen zijn die nog weer verder gaan dan je al dacht te weten.
Als ze verteld heeft dat ze hier een jaar geleden mee begonnen is om
haar studie te bekostigen, en dat ze nu afgestudeerd is, maar dit nog
een jaartje doet, zolang ze nog niet weet wat ze zal gaan doen, zegt ze
opeens: "Ik heb nu in drie avonden een maandsalaris. Ik heb
weinig concurrentie, want de anderen zijn verslaafd of
omgebouwd". "Omgebouwd?", reageer ik ongelovig.
"Jazeker, meer dan de helft is travestiet", zegt ze.
"Maar dat merken die mannen die hen in de auto nemen toch",
vraag ik verbijsterd. "Vaak niet eens", zegt ze. "De
meesten willen toch anale seks". Over
de computer krijg ik een adres in de Hardebollenstraat. "Wat zal
het zijn", denk ik, "een klant of een prostituée?". Als
ik voorrij bij het bestelde huisnummer gaat de deur al open. Een
prostituée van een jaar of vijftig, in vol ornaat, reikt wat plastic
tassen aan aan twee jonge vrouwen die haar "mama" noemen, en
neemt afscheid van hen. Naar het Station. Ze blijken afkomstig uit de
Dominicaanse Republiek en ik zie opeens hoe schrijnend het is dat wij
als Nederlanders, als Nederland de Dominicaanse, Oekraiense, Afrikaanse
mama's van zoveel kinderen beklimmen en onteren. Er
stapt een man in, die overduidelijk homofiel is. Hij doet al het
mogelijke om dat ook zeer duidelijk te maken. Overdreven beweegt hij,
gebruikt met hoge stem allerlei verwijfde woordjes en probeert
zichzelf en zijn manier van leven me op te dringen. Er is duidelijk geen
neutrale grond voor hem. Hij is een strijder aan het homofiele front, en
iedereen moet er aan geloven. Ik hou hem volledig buitenboord, en laat
hem tegelijk de openheid en liefde van de Here voelen. Merkwaardig hoe
de Here Jezus dat tegelijkertijd in je kan geven, in je kan zijn. Niets
van het vuil wordt aanvaard, maar wie hij bedoeld wordt is welkom, wordt
bemind. Hij heeft iets van beide gemerkt, en aan het eind van de rit
spreekt hij zijn waardering daarover uit.
Over
Neude komt een grote, sterke kerel met aan beide zijden een mooie vrouw
aan lopen. Het blijkt een pooier met twee van zijn meiden te zijn. Ze
komen uit Litouwen en praten achterin zachtjes met elkaar in hun eigen
taal. Op de plaats van bestemming neemt hij afscheid van hen met een
stevige zoen, en praat teder over zijn meiden. Vier
zakenmensen stappen in. Keurig in het pak, een strak, zwart koffertje op
de knieën zitten ze voor- en achterin. Maar door de auto golft opnieuw
onophoudelijk het braaksel van perverse geesten. Een van hen,
gedistingeerd, is de aansteker, maar de anderen stoppen hem niet, maar
vallen bij. De man is geobsedeerd door kinderen. Maakt vieze grapjes
over seks met kinderen. wijst op een klein meisje op straat en noemt
haar een lekker ding. Het golft door, tot deze heren uitstappen voor het
chique restaurant waar ze gaan dineren. Ik bedenk dat de laatste tijd in
de gesprekken van mensen in de taxi dit steeds vaker voorkomt. Satan is
bezig het volgende taboe te doorbreken. Kinderen zijn niet langer
heilig. Ze zijn prooi. Een
zakenman wil van het restaurant waar ik hem ophaal, terug naar de
Jaarbeurs, waar hij zijn stand heeft staan. Heel de week, zolang de
Vakbeurs duurt, bivakkeert hij in Utrecht en nu, in de avond, wil hij
nog even een aantal dingen op zijn stand nakijken voor hij naar bed gaat
in zijn hotel. Hij heeft het over zeven vette jaren voor zijn business.
Lachend, maar ik voel dat de Here iets door mij heen tot deze man zegt,
zeg ik hem: "Nou, dan weet u wat daar op volgt, en wat u nu moet
doen". Maar hij weet het niet. Kent de geschiedenis van Jozef in
Egypte helemaal niet, en vraagt wat ik bedoel. "O", doe ik
luchtig, "dat staat in de Bijbel, de geschiedenis van Jozef. In de
zeven vette jaren moest hij van God opzij leggen voor zeven magere jaren
die zouden volgen". Als hij is uitgestapt, kijkt hij nog even naar
binnen en zegt met een ernst die aangeeft dat hij ook voelde dat er iets
tegen hem persoonlijk gezegd werd wat boven mij uitsteeg: "Bedankt
voor de goede raad". Iederéén heeft een hemelse Vader, en op een
wonderlijke manier maakt Hij Zijn liefde onverwacht duidelijk.
Aan
het begin van ons volksbestaan waren onze voorouders dit afschuwelijke
egoïsme volledig kwijt. En Jezus wèrd zichtbaar. En velen wèrden
gered. Onze voorouders, aan de vooravond van ons bestaan als zelfstandig
volk, onder de Spaanse bezettingsmacht, verduurden de druk van
aanbrengers om hen heen, die uit waren op de door de bezetter beloofde
beloning van de helft van hun bezittingen. De rest ging naar de
bezetter. De levens van hen die op Jezus alleen vertrouwden, waren het
fundament waarmee Jezus Zelf de grond legde voor Holland. Telkens als
weer een kind Gods op onze bodem, in onze steden in brand gestoken en
vermoord werd, meer dan vijftig duizend keer, was Hij het die overwon.
Niet Zijn vijand, die deze lage landen aan de zee in zijn duistere greep
wilde houden. Telkens als weer een van onze voorouders en hun kinderen
Jezus en leven met Hem belangrijker vond dan al het andere, was dat een
klap in het gezicht van satan; werd zijn macht in de hemelse gewesten
boven ons land zwakker en zwakker. Daar op die brandstapels en op die
pijnbanken werd de strijd gestreden en de overwinning over de vijand
behaald. Wat zich later militair en politiek voltrok, in het zelfstandig
worden van ons land, Nederland, was slechts verzilvering van al die meer
dan vijftigduizend overwinningen! Zo
groot is Gods liefde voor ons land, dat Hij "gegrond heeft op de
zeeën, en gevestigd op de rivieren" (Psalm 24:2), dat Hij niet wil
dat dit land opnieuw wegzinkt in de golven. Diep is de liefde en
onverbrekelijk de trouw van de God Die aan het begin van elk waarachtig
vertrouwen op Hem staat. Wij, Zijn kinderen, hebben het lot van dit land
in handen. Blijven onze handen slap, dan zinkt alles weg. Komen wij voor
Zijn aangezicht, dan gaat Hij ingrijpen. Alle macht in hemel en op aarde
behoort onze God toe. Maar Hij ontzet Zich als er geen voorbidders zijn.
Als Zijn kinderen zich niet laten gebruiken om Gods zegen naar beneden
te bidden, om als Daniël God te herinneren aan Zijn beloften, en net zo
lang aan te houden tot Zijn antwoord, tot Zijn ingrijpen komt, dan zal
onze God Zelf in liefde het land en Zijn kinderen wakker moeten
schudden. Des te dieper we slapen, des te sterker moet Hij schudden.
Laat dat niet nodig zijn!!! Waak op! Daniël was een balling in een
vreemd land. Toch zocht hij het goede ervoor, diende onder meerdere
vorsten als minister. Maar nooit hield hij op te bidden voor de
doorbraak van Gods koninkrijk. Het land, de aarde behoort de HERE toe.
Het land, de aarde moet voor Hem worden teruggewonnen. Niet langer mag
de vijand zijn vuige gang gaan, en stukje bij beetje totale grip op
alles krijgen. De hemel boven Holland moet weer open waaien. Het licht
van God, liefelijk, wil ons weer beschijnen, ons allen! Dacht u dat dat
te groot een visioen was? Te groot voor de God Die in zes dagen alles,
van het kleinste dier tot de grootste berg, schiep? Weet
u wel hoe persoonlijk God u kent?! Weet u wel dat Hij een plan klaar
heeft liggen, uniek en speciaal voor u?! Niemand anders kan dat
vervullen. En de levens van duizenden, misschien wel miljoenen hangen
daar van af. Als u wandelt in die heel speciale roeping die uw hemelse
Vader in de Here Jezus voor u heeft, gaan de dingen om u heen
veranderen. Hij leidt u van het een naar het ander, zoals eens de
apostelen werden geleid, en al die broers en zussen die in de tijd na
Pinksteren leefden. Wat was hun geheim? Zij wisten van het plan, en
gaven zich aan de Here over om hen daarin te leiden. En zo gehoorzaamde
Filippus aan de stem van de Here, Die hem zei: "Sta op, en ga heen
tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke
woest is". En door te gehoorzamen aan Gods stem, wandelde hij in
Gods plan voor zijn leven voor die dag. Hij vond een Moorman op
terugreis, volgde Gods aanwijzing, en leidde hem tot Jezus. Bij
u begint het! Bij uw vragen aan uw Here en Verlosser om Zijn heel
persoonlijk omgaan met u meer te ervaren. Bij uw vragen aan Jezus, de
Zoon van God, uw Vriend, of Hij Zijn diepste geheimen met u wil delen,
of Hij Zijn diepste verlangens u wil vertellen, of Hij met u door de dag
wil gaan, door de keuken, en de garage, en of Hij wil zeggen wat u in al
die situaties moet doen en zeggen. U hebt een Vriend Die heel de dag met
u door wil brengen, Die u Zijn diepe, heel persoonlijke liefde voor u,
in wie u bent, en wat u meegemaakt hebt, telkens in zoveel onverwachtse
momenten en op zoveel wonderlijke manieren zo lief toont. Zo
begint het. Bij u. Bij uw verlangen en vragen naar Hem. Of het zwarte
wolkendek boven Holland straks breekt, of de zon doorbreekt van Gods
liefde voor ons allen, hangt af van u. Of u bereid bent achter uw
Verlosser en Vriend door de woestijn te trekken naar het beloofde land.
Diep
in ons bewustzijn wil het zakken, als op de avond van die eerste Pesach
in Egypte, dat een Lam, het Lam van God ons gegeven, en dat het bloed
van dat Lam, Jezus, de Zoon van God, de diepe band met onze Vader in de
hemel schept en fundeert. En in de omgang met dit Lam, in het volgen van
Hem, de woestijn in, blijkt Zijn karakter en het onze. Boven
komt dat wij wel Egypte uit, maar Egypte ons nog niet uit is. En hier is
het dat Gods gemeente in ons land zo faalt. Zo in cirkels rondtrekt. De
les niet leert, en daarom de leerstof opnieuw door moet nemen. En toen
toch nog niet verder gekomen is. We zijn gered, maar niet bekeerd. We
zijn gered, maar leven als in Egypte. In Egypte. Wat
heeft de hemelse Vader veel werk gehad aan onze broers en zussen toen,
die uit slavernij bevrijd, toch nog als slaven dachten. Als wij! Als de
kerk van Nederland! Die niet leeft met haar Vader als een kind, aan wie
Hij, nu Hij zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons
allen overgegeven, met Hem en in Hem alles wil geven. Alles! Wij hebben geen idee wat dat betekent. De
Reformatorische kerken in ons land cirkelen om Pesachavond, en komen
Egypte niet eens uit; hebben geen idee van een Verlosser Wiens levende
Stem, diep van binnen gehoord, je brengt tot aan de Jordaan van totaal
sterven aan jezelf, en door deze wateren heen de nieuwe bodem, het
beloofde land van volkomen eenheid met Jezus binnen. Jezus Zelf binnen.
In al Zijn volheid. Zodat niet meer wij leven, maar Hij in ons. En Hij
Zijn lichaam heeft op aarde, waar Hij door heen kan lopen waar Hij wil,
de handen opleggen en zegenen wie Hij wil, bevrijden en genezen, redden
en aan Zijn voeten brengen wie Hij wil. Het Hoofd heeft nu Zijn lichaam
niet. Het Hoofd heeft een lichaam wat Zijn signalen niet opvangt, wat
grotendeels haar eigen gang gaat en daarbij naar Hem opkijkt om háár
gang, háár programma's en háár in liefde voor Hem gedane arbeid te
zegenen. Maar Gods plannen blijven liggen, want niemand vraagt ernaar,
zoekt ernaar! En mensen gaan verloren, omdat de kerk niet zoekt, zoekt,
zoekt met al wat in haar is, de stem van haar Here en Hoofd te verstaan,
en Hèm te volgen, in Zìjn plannen, die wèl volle zegen brengen. Die wèl
het land op zijn kop zetten en het duister verjagen! Want dit is in het
hart van onze God. Gedachten des Vredes voor een heel land, een land dat
Hij eens Zelf formeerde, en een volk dat Hij eens Zelf haar
zelfstandigheid gaf in haar worsteling om vrij voor Zijn aangezicht te
mogen leven. De
Stem van de Here, waarvan Mozes eens zei, in de woestijn, dat hij wel
wilde dat heel het volk profeten waren, die de Stem van de Here hoorden
en doorgaven, door Gods Geest in hen...De Stem van de Here, waarvan Joël
profeteerde, en Petrus de vervulling zag, dat heel het volk van God Zijn
Stem hóórde en profeteerde en gezichten zag... kinderen, ouders, opa's
en oma's, allen! De Stem van de Here, die Cornelius zijn dienaren naar
Petrus deed sturen, die Petrus met hen mee deed gaan, die Filippus de
Moorman deed ontmoeten, die Paulus in Europa bracht. De Stem van de
Here, die de Stem van de Goede Herder is, Die er voor zorgt, Zelf, heel
persoonlijk, dat Zijn schapen Zijn Stem horen, en de stem van de
vreemde, die op hun ondergang en misleiding uit is, absoluut niet
volgen. Er
om vragen, is het begin. Geduld hebben, is de voortgang. Een wonderlijk
leven met Hem binnen komen, is de beloning. De
woestijn, onmisbaar als plaats om getraind te worden voordat we kunnen
erven wat God voor ons heeft, zullen we allemaal doormoeten. Maar we
gaan er met Hèm doorheen! En we leren er al beter Zijn Stem verstaan en
Hem zo volgen. Zijn programma, Zijn trainingsprogramma voert ons door
situaties en momenten die later onmisbaar zullen blijken in de strijd om
het land te heroveren. Israël, toen, leerde bijvoorbeeld -zie Numeri
9:15 t/m 23- haar eigen wil, haar eigen agenda op te geven. Steeds was
het de wolk- en vuurkolom boven hun leger, de HERE Zelf, Die bepaalde:
"We trekken weer verder, Mijn volk". En de tenten werden weer
afgebroken, de huisraad opgeladen, de dieren bijeen gedreven, en
voort ging het, achter de HERE aan. Soms hadden ze net alles afgeladen,
hun tenten opgezet, een heerlijke nacht slaap gehad, of de volgende
morgen klonk opnieuw de Sjofar: het ging weer verder. De wolkkolom had
Zich weer opgeheven. Of precies andersom: soms bleven ze maanden ergens
bivakkeren, zodat ze eigenlijk wel weer verder wilden, maar -dat was de
les- de eigen agenda bestond niet meer! De Here vult nu alles in. Wat
een heerlijke God hebben wij. Zo raak je jezelf wel kwijt! Dat is echt
sterven. En zie je dat dat zonder de Stem van de Here, en zonder uw
volkomen gehoorzaamheid aan wat Hij zegt, u Zijn trainingsprogramma, en
de woestijn nooit doorkomt?! Dat dan ook u niet gereed raakt om zometeen
in volkomen eenheid met Hem door Hem gebruikt te worden om de vijand te
verjagen, "de tyrannie verdrijven, die mij mijn hart
doorwond"?! Maar
waarom kan de HERE mij zo niet gebruiken? Ooit van een bevelhebber, een
generaal gehoord, die zonder goede communicatielijnen zijn troepen de
strijd in stuurde? Ooit gehoord van een legeraanvoerder die niet eerst
zijn leger discipline bijbracht, zijn troepen oefende in
gevechtssituaties, hun conditie en uithoudingsvermogen tot het uiterste
opvoerde, voordat het gevecht begon? Daarom kwam Amelek, toen, in de
woestijn plotseling op Israël af. Daarom waren er de uitputtende
dagmarsen - hoewel de HERE hen tegen de ergste hitte beschermde door de
wolkkolom, Zijn tegenwoordigheid boven hen. Daarom bracht Hij hen in
noodsituaties, waar het water op was, de bronnen uitgedroogd, opdat ze
zouden leren hun vertrouwen op Hem te stellen, Die alles overziet, en
die Zijn leger op machtige wijze van alles voorziet. In
de strijd die komt, en die sommigen van ons al zijn binnengegaan, kan
onze Legeraanvoerder het Zich niet veroorloven dat er in uw
wapenuitrusting zwakke plekken zitten, gaten, die de vijand direct zal
gebruiken om u uit te schakelen. Uw Legeraanvoerder is tegelijk uw
Vriend en uw Vader... dacht u dat Hij u zó de strijd in laat gaan?!
Daarvoor houdt Hij teveel van u! Dus nu niet schrikken als Hij de
komende tijd die openingen in uw uitrusting, die wonden in uw leven, en
nog zoveel meer, liefdevol komt aanwijzen. Niet proberen goed te zijn,
te ontkennen... dat hoeft toch niet; alles ís toch volbracht voor u?!
Alles ís toch al goed tussen u en Hem?! Hij moet u nu alleen leren dat
dat genade is. Heel diepe genade! Omdat u niet goed bent, en nooit zijn
zult -daarom stierf Hij immers voor u? Adam en Eva, onze eerste
voorouders, verborgen zich voor Hem achter een bosje. Het is niet nodig!
Wees dapper, en geef wat Hij u de komende tijd laat zien aan Hem. Vraag
vergeving, vertrouw op Zijn vergeving, en dank en prijs Hem ervoor. Doe
zo met alles wat Hij u laat zien. Soms zult u het misschien oneerlijk
vinden dat Hij met iets bij u komt waaraan u part noch deel had, maar
wat iemand uit uw voorgeslacht blijkt te hebben gedaan. Maar bedenk, het
is uw Vader, het is uw Vriend en Verlosser Die er mee bij u komt. De
band met dát deel, dat zóndig deel van de familiegeschiedenis moet
door. En dat doet u door plaatsvervangend de zonde te belijden,
vergeving te vragen voor deze zonde in je familie, en het bloed van
Jezus gelovig te aanvaarden als ook dit deel van jouw leven reinigend. Heel
diep moet onze God gaan. Een leger zonder wonden, zonder onbeleden
zonden, zonder diep verborgen donkere mogelijkheden, is alleen het leger
wat Hij de strijd die komt veilig binnen voeren kan. Een leger dat door
de dood heen, als Israël eens door de Jordaan, een totaal nieuw leven
van volkomen eenheid met de Aanvoerder, Jezus, de Zoon van God is
binnengegaan. Is dat, en het vrijkomen van ons land, de doorbraak van
Zijn liefelijk licht over ons land, niet alles waard?!
In
abortussen, dagelijks, tientallen, honderden, inmiddels duizenden,
tienduizenden abortussen in ons land, op onze van God gegeven bodem,
heeft hij de Molochdienst hersteld. En onze kinderen verdwijnen als in
oude tijden in de vurige bek van deze afgod, worden doodgeknepen door de
tang van de aborteur ... weer een, en weer een, en weer een, en weer
een... Bloed, bergen bloed, bloed roept uit Holland tot God in de hemel.
Zou Hij niet horen?! De Rechtvaardige. Denkt onze regering echt door te
kunnen gaan met business as usual, als de economie maar draait, het volk
haar voedsel maar krijgt, en alle luxe waar het mee verwend is geraakt?!
Die in de hemel woont, zal lachen om onze krampachtige pogingen de
economie van dit land gezond te houden. Hij blaast, en Holland is niet
meer! Zouden we dan geen orde op zaken stellen? Eindelijk ons bezig
houden met de dingen waarop het aankomt?! Waarop de God Die dit land
grondveste en Die het haar zelfstandigheid gaf, vindt dat het aankomt?! Ongezien,
in sluipvaart, gaat satan met zijn in dit land gestationeerde troepen
door. Laagje voor laagje berooft hij het volk van Holland van haar
geweten, van haar besef van goed en kwaad. Wat nu "moet
kunnen", kon enige tijd geleden nog niet, en wat nu nog niet kan,
nog taboe is, zal binnenkort wel kunnen. Er is geen weg terug, dan een
totale oorlogsverklaring aan de duistere, ongeziene macht achter de
totale ineenstorting van ons land. En niemand anders dan wij, Gods
kinderen in Holland, moeten dit doen. Zijn geroepen om dat te doen. Zijn
op straffe van onze kinderen en kleinkinderen te zien wegzinken, en een
heel land met hen, in de donkere diepte onder deze onderzeeër, zó van
Godswege genoodzaakt om eindelijk op de bres te komen. HET IS GEEN TIJD
MEER VOOR NOG IETS ANDERS! Hoe
voeren we deze strijd, deze totale oorlog tegen satan?! In de eerste
plaats: denk aan de woestijn, de training, het sterven aan jezelf, het
Gods Stem leren verstaan, en het eenworden met de Here Jezus. Maar dan
ook, in Hem, in eenheid met Hem, is er een land te heroveren. Als eens
Israël. In
Deuteronomium 7: 1 t/m 6 lezen we: "Wanneer
u de HERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe
gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben
uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de
Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven
volken, die meerder en machtiger zijn dan gij; en de HERE, uw God, hen
zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen
ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun
genadig zijn. Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw
dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw
zonen. Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere
goden dienen; en de toorn des HEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u
haast verdelgen. Maar alzo zult gij hen doen; hun altaren zult gij
afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij
afhouwen, en hun gesneden beelden met vuur verbranden. Want gij zijt een
heilig volk de HERE, uw God; u heeft de HERE, uw God, verkoren dat gij
Hem tot volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de
aardbodem zijn". Dat
laatste, "u heeft de HERE, uw God, verkoren dat gij Hem tot een
volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken", geldt Israël, het
Joodse volk, Gods volk in Zijn land, nu, nog steeds. Sinds de
Pinksterdag, sinds het heil dat uit de Joden is, nog steeds, door hun
prediking ons heidenen erbij geroepen heeft, en wij als wilde
olijftakken ingeënt zijn op de edele olijfboom, Israël, met de
saprijke Wortel Jeshua, de Bron van hun en ons leven... geldt op een
geestelijke wijze bovenstaande marsorder van de hemelse Generaal ook
ons. Niet langer gaat de strijd tegen mensen van vlees en bloed (Efeze
6:10 t/m 20), maar tegen de boze geesten in de lucht, zegt Paulus. In de
marsorder die Israël, onze broeders van ouds, vlak voor de aanvang van
de totale aanval om het land voor God te heroveren, ontving, in die
marsorder ontvangen ook wij onze instructies. Helder en klaar zegt
onze God ons dat de machten die ons land bezet houden ver boven onze
macht zijn. Groter in aantal, en sterker dan wij. Nou, dat hadden we al
gemerkt. En we hadden het bijltje er daarom bijna allemaal al bij
neergelegd. Wie kan keren wat in ons land gaande is? Wie kan op tegen
wat satan hier keer op keer voor elkaar krijgt? "Zeven
volken, groter en machtiger dan jullie". Inderdaad. Maar Wie is een
God, behalve onze Here?! Groot en machtig is Hij. Er is niemand zoals U! Duidelijk
wordt de vijand, zijn sterkte en zijn strategieën in deze marsorder
weergegeven in de namen en hun betekenissen van de machten die
overwonnen moeten worden, de machten die heersen over Gods land, over
ons land. De
Hethieten, een volk wiens naam in het Hebreeuws weergeeft: donker,
duister, angst, bang zijn. Giganten, die heersen in het land door niets
anders dan dat. Verspreiding van angst, en daardoor hun greep op de
omgeving al maar verstevigen. En groot ís de angst in ons land. Om uit
de toon te vallen. Om niet aardig gevonden te worden. Om alleen te staan
in een overtuiging. Om door mensen van aanzien en statuur niet voor vol
te worden aangezien! En timide buigt een volk onder het juk door
ongeziene geestelijke machten hen opgelegd. Wie durft zijn stem te
verheffen tegen de gangbare mening in. Wie staat op, en zegt dat ons
land God toebehoort! Dat Hij aan haar begin staat, en dat Hij ook nu aan
het roer wil staan. Wie staat op, en zegt dat Hij houdt van de
Hollander, maar onze zonden verafschuwt. Wie staat op, en zegt,
heenbrekend door alle vrees, Jezus is Here over Holland. Het land
behoort Hem. Wijk duister! De
Girgasieten waren mensen die op klei, in het laagland leefden. Hun naam
staat in het Hebreeuws voor liefde voor de wereld. Vol is ons land, ook
ons land, met machten, ongezien, die ons volk in de greep houden van
deze liefde voor de wereld. Alle liefde voor God kapot makend. De mensen
bindend aan een leven vol dingen die niet bevredigen. De
Amorieten, een geduchte vijand, waren hooglanders. Zij leefden hoog in
de bergen. In het Hebreeuws staat hun naam voor hardleerse geest, en
geestelijke hoogmoed. Hoe denkt u dat het er uit de hoge uitziet als
Nederland weer eens haar vingertje heft naar andere landen en volken op
Gods aarde, terwijl Hij ziet dat het land vol is van dingen waarom Hij
haar zou moeten wegdoen, teruggeven aan de zee?! De
Kanaänieten bevolkten heel het land, en leefden daar in de valleien en
lage plaatsen. Deze macht, waarzij voor staan, die onze Generaal uit
Holland weg wil hebben, staat in het Hebreeuws voor depressie, negatieve
houding, geloof ondermijnende veroordeling. Zij staat niet toe dat ook
maar ergens in dit land gezondheid, geestelijke gezondheid komen kan
voor de massa's die door zijn invloed depressief zijn, en voor wie de
psychiaters geen oplossing weten. Taboe is door zijn invloed bij vrijwel
alle hulpverleners dat Jezus het antwoord is voor depressies en de
daarachter liggende noden van dit land. Deze macht moet uit dit land
weg! De
Ferezieten waren een interessante bevolkingsgroep in het oude Kanaän.
Als enigen ommuurden zij hun steden niet. In het Hebreeuws staat hun
naam voor onbemuurd, ongedisciplineerd! De geestelijke macht, die zij
uitbeelden, die ook in ons land werkt, en die ook hier met Gods hulp
verdreven moet worden, is de vuile geest die ons land overspoelt met
overspel, onreinheid, perversie en gemeenheid. De geest die alle
beschermende muren neerhaalt, en onder de kreet "moet kunnen"
het rioolwater uit beeldschermen en billbords, uit muziek en
kinderboeken de ziel van ons volk laat binnenstromen en vergiftigen! De
Hevieten waren midlanders. Zij woonden niet hoog in de bergen, niet in
de valleien, maar ergens in het midden. In het Hebreeuws staat hun naam
voor middelmatigheid of lauwheid. Ziet u hoe hier de machten die, als
Kanaän in oude tijden, ook ons land bezetten, samenvloeien? Hoe in ons
land een geest van angst -ontkend, maar onmiskenbaar- verhindert dat ècht
opgetreden wordt tegen wat de ziel van ons volk vergiftigt, en dat de
geest van lauwheid, onverschilligheid, dat gebrek aan daadkracht nog
versterkt? De
laatste vijanden in Kanaän waren de Jebusieten. Hun naam staat in het
Hebreeuws voor actief zijn. In beslag genomen worden door de bezigheden
van dit leven, hoezeer leeft ook deze geest onder ons, in het altijd
bezige Holland. De economie, de economie, de economie, groei, groei,
groei, wat zijn de cijfers?, wat de winstverwachtingen? In beslag
genomen, letterlijk, gebonden geraakt aan een geest die ons als volk
geen tijd laat om op zoek te gaan wat toch die soms zo knagende
onbevredigdheid onder ons volle, drukke leven kan zijn. Of het soms te
maken kan hebben met de God Die aan het begin van ons zelfstandig
bestaan als volk staat, en van Wie een groot staatsman, de vader des
vaderlands, Willem van Oranje beleed: "Mijn Schild en mijn
Betrouwen, Zijt Gij, o God mijn Heer! Op U zo wil ik bouwen, Verlaat mij
nimmermeer! Dat ik toch vroom mag blijven, Uw dienaar t'allen stond, De
tyrannie verdrijven, Die mij mijn hart doorwondt". Niet
langer zijn het de Spanjaarden, als in Willem's tijd, niet langer zijn
het de Duitsers, als in de Tweede Wereldoorlog, die ons land bezet
houden. Maar bezet zijn we. En verdreven moet opnieuw de tyrannie
worden. De tyrannen die nu Holland in hun greep hebben. De zeven volken,
meer in getal en machtiger dan wij. De zeven machten, die door angst,
onze liefde voor het aardse, trots, depressie, bandeloosheid, lauwheid
en geldzucht van Holland een land hebben gemaakt waarover God huilt, en
waarvoor Hij voorbidders zoekt, opdat het niet ondergaat.
Wij
hebben een Leidsman, Die er een eer in stelt dat wat niets is, te vormen
tot een machtig leger, vol van de Geest Gods. Zolang wij nog iets zijn,
niet niets willen zijn, kan Hij niet doorwerken, dus laten we dat
opgeven. We hebben allemaal zo onze dingen, als kinderen van de Vader,
waar we stiekum trots op zijn. Immers, zo ver zijn we dan toch maar
gekomen. "Wij hebben de leer het zuiverst bewaard", "Bij
ons gaat het niet zomaar: er moet echt iets gebeuren met een mens",
"Bij ons zijn tenminste de gaven van de Geest er weer, en wij
spreken in tongen", "Bij ons heeft God de profeten weer
hersteld en zien we het begin van het herstel van de apostelen", en
"Bij ons is er zicht op Israël, op Gods eeuwige beloften en de
toekomst". En toch zijn we niets, "want indien iemand meent
iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelf in zijn
gemoed" (Galaten 6:3). "Wie roemt, die roeme in de Here",
om wat Hij in ons, in onze gemeenten en kerkverbanden heeft uitgewerkt,
en die zie dat wij leden van één lichaam zijn, en elkaar nodig hebben
in de komende strijd. Die zie dat we werkelijk niet zonder elkaar
kunnen, en zonder wat de Here als een wijs Bouwmeester ieder van ons
heeft gegeven. In een oorlog heeft een generaal zovele troepen nodig. In
de strijd die ons wacht, heeft de hemelse Generaal, onze Here Jezus, de
bommenwerpers, zijn krachtige voorbidders nodig om de stellingen van de
vijand stormrijp te maken. Om van Hem te horen waar de vijand zich
ophoudt, en wat de strategie moet zijn, heeft Hij profeten nodig, die
als Elisa horen wat er in het diepste geheim door de koning van Syrië
wordt uitgedacht (2 Koningen 6:8 t/m 12). Zovele onderdelen heeft het
leger van de Here Jezus, en niet een ervan kan gemist worden. Toen
Nederland in oorlog was met Duitsland, de eerste vijf dagen, richtte de
aanval van de vijand zich op Den Haag, op de Nederlandse regering, en
vooral op de koningin en haar gezin. Had men haar, zo was de gedachte,
dan zou de ruggegraat van de Nederlandse verdediging gebroken zijn, en
overgave volgen. Precies zo richt de vijand nog steeds op strategische
personen al zijn inspanningen. Vallen zij, dan is het verzet gebroken.
Leiders van gemeenten, gebedsleiders, profeten zullen een zware tijd
krijgen, en hebben ons gebed zeer nodig. Precies zoals de vijand op de
kust van Engeland de radarposten, onze ogen, waarmee we de vijand al van
ver zagen naderen en tegenmaatregelen konden nemen, probeerde plat te
bombarderen, zullen mensen die van God horen, die Zijn Stem verstaan en
Zijn woorden doorgeven, zwaar bestookt worden. Doe daar niet aan mee. De
radarposten zijn onmisbaar. Beproeft wel alle dingen. Behoudt het goede. Een
andere les uit de strijd tegen het duister in die bange oorlogsjaren is
de strijd die de vijand voert om de geesten der mensen. De vijand is een
meester in misleiding. Propaganda is zijn machtigste wapen. Zonder de
leugen is hij nergens. Hecht men geloof aan zijn verdraaiingen, dan
heeft hij macht. In het rijk van Hitler, waar men zich zo volledig liet
manipuleren door satan, werden Joden "insekten", de moord op
Joodse kinderen, mannen, vrouwen en grijsaards in de gaskamers een
"speciale behandeling", en hun volledige vernietiging "de
uiteindelijke oplossing". In de strijd die wij binnengaan, en die
sommigen van ons al binnengegaan zijn, zal het lijken of zij die getrouw
doen wat hun Generaal, Jezus, de Zoon van God hen opdraagt, de meest
verwerpelijke mensen zijn die deze aardbodem draagt. Trap er niet in.
Vraag uw God hoe het zit, en blijf pal staan in uw gebed achter de
frontsoldaten. Zij hebben u nodig. Op
de voorkant van dit verslag van een taxirit door een van Nederlands
steden, treft u naast die duikboot van de vijand, in sluipvaart onder de
mensenmassa's van ons land, de titel "God huilt". Niet een
verzinsel van de schrijver, om de aandacht te trekken, maar God Zelf
zette dit als titel er op, omdat het het diepste is wat Hij over Zijn
hart kon zeggen als Hij kijkt naar Holland. Vergeet niet, voor God
liggen de eeuwen open. Hij ziet nog steeds voor Zich de brandstapels, de
trouw en de liefde voor Hem waar alles in dit land mee begon. En Hij
huilt. Want wat is er van die liefde en die trouw tot in de dood in dit
land geworden? Toen
Jezus vlakbij de stad, Jeruzalem, gekomen was, rijdend op een ezel, op
die dag van Zijn glorieuze intocht, barste Hij, Immanuël, God met ons,
om haar in tranen uit. God huilt om ónze steden en dorpen, niet minder
als toen om Jeruzalem, omdat Hij weet wat er gebeuren gaat, gebeuren móet
als er geen bekering komt. Nederland gaat grote catastrofes zien als er
geen bekering komt. Zie, en vergis u niet: die bekering moet bij ons,
Zijn kinderen, beginnen! Dáárom is het zo belangrijk niet tevreden te
zijn met wat God ons in liefde en genade gegeven heeft, maar dieper te
zien. Dáárom is het zo belangrijk Hem te vragen u te doden, uw ik te
doden, als het tarwegraan in de aarde, opdat u Hem binnensterft. Hem, de
Levende, Die voortaan volkómen uw leven wil zijn. Wees niet tevreden
met dit één keer, of een aantal malen gevraagd te hebben, maar maak
het uw levensstijl de komende tijd. Gods gemeente in Nederland moet
dood, opdat het opstandingsleven van Jezus eindelijk, eindelijk,
eindelijk het hare wordt. En Jezus Zijn lichaam heeft in Holland. Waar
Hij doorheen kan spreken, genezen, bevrijden, redden wie Hij wil: een
grote oogst van mensen, gevangenen, nu nog aan boord van die onderzeeër,
zoals de vele jonge mensen die we tegenkwamen op die taxirit. Het
gebeurt zo in het verborgene: ongemerkt, en zonder door te hebben waar
ze zich werkelijk bevinden, neemt satan hen aan boord in zijn sluipvaart
onder de mensenmassa's, en onherroepelijk komt het moment dat hij hen
dumpt, de diepzee van de duisternis in. Dat moet ophouden. Stoppen. Nu.
Onmiddellijk. Gód wil de jeugd van Holland. Hij gunt hen Zijn vijand
niet. Wij zijn Zijn instrument. Alleen, dat wij zelf nog leven staat Hem
in de weg. Dat is als een waterschot, wat de stroom van Zijn zegen, van
Zijn ingrijpen nog tegenhoudt.
Van
oude tijden af, al vrij snel nadat onze God de volken schiep, door de
mensheid bij de torenbouw van Babel (Genesis 11) in allerlei taalgroepen
te verdelen, riep Hij een van de volken, Israël, om als Zijn volk een
voorbeeldvolk te worden voor alle anderen. Opdat de andere volken zouden
zien hoe goed het is om eredienst en rechtspraak, regering en dagelijks
leven door Hem, de God van Israël te laten inrichten. Wat een zegen het
is voor een volk om de God van Israël als God te hebben. Degene Die
alles geschapen heeft, Die alleen toekomt alle eer en aanbidding in èlk
volk, in èlke staatsvorm, onder álle mensen. Israël heeft als
voorbeeld gefaald, zij het dat zij een voorbeeld werd van Gods geduld,
liefde, erbarmen, ook als een volk niet leeft naar Zijn hart. Zij het
dat zij een voorbeeld werd van de hardnekkigheid van de volken om het
eigen leven op te geven en uit de liefde en genade van God te leven. Zij
het dat zij een voorbeeld werd van hoe na onvoorstelbaar veel geduld
en waarschuwingen en liefdevolle oproepen God een volk, ook Zijn eigen
volk, oordeelt en straft. Er zijn gelukkig tijden geweest dat Israël in
diepe liefde met God leefde, als een bruid met haar Bruidegom, maar die
zegenrijke liefde duurde steeds maar zo kort. Wel was zij profetie van
wat eens komen zal, en nu steeds dichter bij komt: Israël als een
koninkrijk van ootmoedige priesters onder Koning Jeshua, Jezus, Die in
Jeruzalem Zijn paleis zal hebben. Israël als een ootmoedig, dienend
koninkrijk van Zijn priesters, die de andere volken helpen ook van de
God van Israël, Die de God van alle volken is, te houden. Zover is het
nog niet. Dat is duidelijk. Israël nu vertrouwt nog op haar wapens en
intelligentie, op haar vermogen om elke crisis door haar gigantische
reservoir aan menselijke begaafdheid en vindingrijkheid te boven te
komen. Daarom moet ook Israël sterven. Net als de gemeente. Opdat in
dat sterven, een heel volk gered en tot haar heerlijke bestemming
gebracht wordt. Want niets van onze menselijke vermogens doet voor God
mee. Hoe indrukwekkend wij mensen die ook vinden. God kan er niets mee,
wil er niets mee, het moet dood. Het opstandingsleven van Zijn beminde
Zoon, Jezus, dat alleen mag het leven zijn wat op deze aarde in Zijn
beminde, Israël, en in de andere volken overblijft. Wat
heeft dit alles nu voor betekenis voor ons als volk van Holland? Alles!
Toen door de dienst van Joodse apostelen en gelovigen Jezus de
heidenwereld binnenkwam, en uiteindelijk ook de lage landen aan de zee
bereikte, was iets ontstaan wat slechts tijdelijk was: de gemeente! God
wil over heel Zijn aarde de vólken hebben, niet slechts een deel van
hen, de gemeente. Straks, na Zijn terugkomst, zullen ook de vólken voor
Hem vergaderd zijn, en Hem aanbidden en lof brengen. En de vólken
zullen optrekken van jaar tot jaar om in Jeruzalem het loofhuttenfeest
te vieren. De gemeente heeft nu in de volken de taak om naar Israël toe
op haar beurt een voorbeeld te zijn van hoe goed het is te leven met de
God van Israël op grond van het enig offer wat Hem behaagt, namelijk
het leven van Zijn Zoon, Jezus. Dat is de taak naar Israël. Zoals
Paulus zegt, opdat door onze barmhartigheid, zij barmhartigheid zouden
verkrijgen. Wij, die alleen naar reden hebben om naar Israël toe
ootmoedig te zijn, want wij waren ver weg van God, en door Joodse broers
en zussen zijn wij bij Jezus gebracht. Wij, die alleen maar reden hebben
om ootmoedig te zijn naar Israël toe, omdat in Gods plan zij nog steeds
de eerste viool spelen, en de gemeente de tweede. Wij zijn er om hen te
helpen op die heerlijke plek te komen die onze God voor hen heeft.
Koninkrijk van priesters, ootmoedig dienend alle volken, hen helpend om
ook met diepe liefde van de God van Israël, hun God, te houden. Dat
is onze eerste taak, de eerste reden van ons bestaan: Israël helpen tot
haar bestemming te komen. Ootmoed, bergen ootmoed, en liefde, bergen
liefde zijn daar voor de gemeente voor nodig. Onze
tweede taak is het volk waar wij wonen, waar God ons geboren deed
worden, en liefde voor gaf, op haar bestemming te brengen. De gemeente
is er niet voor zichzelf, maar om te dienen. Zó wil Jezus, de
Dienstknecht, in haar leven, en door haar heen werken. En
nu komen we bij de reden waarom we hier over begonnen. Niet alleen de
gemeente in Holland heeft haar taak naar Israël toe nog niet vervuld
zoals zou moeten, maar ook wij als volk, onze regering, ziet nog niet
waar zij naar Israël toe alleen toe geroepen is. En wij, als gemeente,
moeten onze regering en ons volk daar bij helpen. Opdat ons volk geen
oordeel over zich haalt, omdat zij zich bezondigt aan Gods oogappel,
Israël, hoezeer ook zelf verwijderd van Gods bestemming. Onze regering,
ons volk moet gaan zien dat Gods land, Gods land is, wat Hij geeft aan
wie Hij wil. Dat Hij het gegeven heeft aan Israël, Zijn volk, tot een
eeuwige bezitting. Dat weliswaar door hun ongeloof in Zijn voorziening
voor onze zonden, en hun vertrouwen op eigen al dan niet religieuze
inbreng, zij al een aantal malen door God het land zijn uitgezet, maar
dat telkens weer zij, die al te willige instrumenten daarvoor waren, de
volken die Israël benauwden, aanvielen en verdreven, door God Zelf met
vernietiging zijn bedreigd. Het Palestijnse volk, wat geen volk is, maar
wat Arabieren zijn die in de loop van de twintigste eeuw naar Israël
kwamen omdat dat stoffige, vergeten stukje aarde tot bloei en welvaart
kwam onder hard werkende Joodse handen, het Palestijnse volk zou een
grote zegen ervaren, en een grote zegen in het land kunnen zijn, als zij
Israëls plaats bij God zou erkennen. Als zij dankbaar en ootmoedig naar
God in Israëls tenten als begenadigden door Israëls God zo innig door
Hem bemind als vrienden zouden aanschuiven. God heeft hen nooit dit land
beloofd. Geen stukje er van. Het is al zo'n genade om Israëls God te
mogen kennen, Zijn liefde voor jou te ervaren, en mèt Hem vreugde te
gaan beleven aan het feit dat Hij een ander, Israël, het Joodse volk,
heeft uitgekozen om de eerste viool te spelen en het land te bezitten. Help
onze regering, help ons volk, kerk van Nederland. Opdat onze God niet
komt, en ons land óók vanwege Israël slaat.
Schudden
is wat onze God almeer wereldwijd doet en doen zal. Het boek Openbaring
laat er geen twijfel over bestaan dat de rampen in steeds toenemende
mate over de aarde zullen gaan zwiepen. Nu is het nog satan, die in zijn
vuige plannen kwaad beraamt en willige werktuigen vindt om zijn dood en
verderf te zaaien. Door gebed van vooraf, soms jaren, soms maanden
eerder door Hem gewaarschuwde kinderen van God, die Zijn Stem leerden
verstaan, wordt nog veel tegengehouden, en dat wat God wèl toelaat, nog
getemperd in zijn afschuwelijke intensiteit. Zoals op 11 september 2001,
tijdens de aanvallen op het World Trade Centre en het Pentagon in
NewYork en Washington in de Verenigde Staten van Amerika. Maar dat
blijft niet zo! God is niet geïnteresseerd in de voortzetting van òns
project aarde, Hij verlangt naar Zijn níeuwe aarde, waarop
gerechtigheid wónen zal, en geen kwaad meer zijn zal, en ieder Hem
kennen en van Hem houden zal. Hij is dat zo waard. Hij is het zo waard
dat wij mèt Hem daar naar verlangen, daar naar uitzien. De enige reden
waarom God nog gebeden om uitstel van dat zo mooie, èn van de oordelen
die er aan vooraf gaan, verhoort, is niet om ons ons slaperige, lauwe,
christelijke leventje nog wat langer te gunnen. De enige reden waarom
God nog gebeden om uitstel van dat zo mooie, wat Hij brengen en scheppen
komt, èn van de oordelen die er aan voorafgaan, verhoort, is bepaald
niet omdat Hij de wereld die wíj geschapen hebben, zónder Hem, op Zíjn
aarde, toch maar wil tolereren. Ook al gaat ze volledig zonder Hem op
Zijn aarde verder. Ook al doet ze alles wat Hij in liefde, als Vader Die
weet wat goed voor ons is, verboden heeft. Nee, de enige reden waarom
onze Vader in de hemel, en de Here Jezus, onze gebeden om uitstel nog
verhoren wil, is Zijn verlangen naar een grote oogst, een grote oogst
van mensen, binnengehaald door Zijn kinderen, voordat Hij definitief
ingrijpt. Dus elk gebed om uitstel, in wat voor woorden ook gezegd,
dient vergezeld te gaan van het aanbieden van uw leven als offer, om
gebruikt te worden voor hen naar wie Gods hart in bewogenheid en liefde
uitgaat. Jezus gaf Zijn leven voor u. Nu is het de tijd om uw leven voor
Hem, voor Zijn heerlijk werken door u heen, te geven. De dood van het
tarwegraan, u weet het, de dood van uw ik is het enige offer wat nu, in
deze laatste dagen, als werkelijk een liefdegeur op kan stijgen tot uw
Vader, en uw Verlosser en Vriend. Laat Zijn hart en verlangen, en laten
de gebeden van de Heilige Geest, de uwe zijn. Er is geen tijd meer voor
iets anders. En er zal geen uitstel meer voor iets anders zijn. God
heeft haast. Hij verlangt naar het nieuwe. Maar Hij wil ons allen er bij
hebben. Wa | ||