GOD HUILT
een taxirit door een van Nederlands steden


Een service van Joel News




"Toen Hij, vlakbij gekomen, de stad zag liggen, barstte Hij om haar in tranen uit. Hij zei: "Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar die is verborgen voor uw ogen..."".
- Lukas 19 vers 41 t/m 42 (Willibrordvertaling)


Nieuwegein, 15 november 2001

Door: Teus Schep

Om ons land diep voor Zich op de knieën te krijgen, in bekering en berouw, moet onze God ons diep laten zien hoe wij er vanuit de hoge uitzien. Zo vuil, zo smerig, zo diep arm en dwalend is het volk van Nederland, dat God niet anders doen kan, dan met een diep verlangen uitzien naar hen onder Zijn kinderen in dit land die bereid zijn zich aan Hem over te geven om Zijn ogen te ontvangen. Om verbroken en in diep berouw, niet alleen voor heel het land, maar ook voor Gods gemeente in dit land in de bres te staan, voorbiddend, omdat wij dit land geen goed hebben gedaan. Gods oordeel begint bij het huis Gods, bij de gemeente, verzekert Petrus. En ook hier is het dat Gods ogen, Die zo diep zien, de onze moeten worden, zodat wij niet meer tevreden zijn met de vertroosting en verkwikking van de afgelopen jaren, maar ons laten binnenvoe­ren in de diepte van Zijn Goddelijk hart voor ons. Reiniging en heiliging van ook de meest verborgen wortels en zaden van het vlees is nodig, en zal plaatsvinden. De dood van het tarwegraan die noodzakelijk is om vrucht te kunnen dragen, zal zich in eenheid met de Here Jezus, in Zijn dood-geweest-zijn, aan velen voltrekken. Opdat ook Zijn volle, ongehinderde, dit land op zijn kop zettende opstandingsleven door ons heen zal vloeien, ons land in.

Om ons Zijn ogen te geven, om onze ogen te openen voor hoe het er uit de hoge uitziet voor Gods aangezicht in ons land, laat de Here vele broers en zussen dingen meemaken en dingen zien. Zo wordt langzamerhand samen met al de heiligen die verlangen voor zichzelf en voor dit land de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van de Here Jezus te zien en te kennen, ook de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van de val van dit land duidelijk.

Immers, ons land dankt zijn bestaan als zelfstandige natie aan een zo machtig ingrijpen van onze God in de loop van onze geschiedenis als volk. En hoever zijn wij bij dat glorieuze begin van ons volksbestaan weggedwaald. Een volk, elk volk ontvangt zijn plaats onder Gods hemel van Hem, Die op de troon zit. En aan het begin van Zijn vorming van ons land tot zelfstandige natie, nu zo'n ruim vierhonderd jaar geleden, staat een strijd die gevoerd werd om in vrijheid het geloof in de enige Zaligmaker der wereld, Jezus, de Zoon van God, niet alleen diep in het hart, maar ook publiekelijk te kunnen beleven. God zond een man, die deze strijd ging belichamen, Willem van Oranje, die tot een vader des vaderlands werd. En zozeer was deze strijd tegen Spanje, die deze gewesten in haar greep had, een strijd om het geloof, het vrije geloof in deze Jezus, onze Verlosser en Koning, dat naar het woord van Willem van Oranje zelf, meer dan vijftigduizend ingezetenen vanwege dit geloof door de Spaanse bezetter op afschuwelijke wijze ter dood zijn gebracht. Vijftigduizend, meer dan vijftigduizend van onze voorouders, nog maar een aantal generaties geleden, aan de vooravond van ons bestaan als zelfstandig volk, hadden hun leven over voor Hem, deze Ene, Die aan het begin van elk werkelijk leven en aan het begin van ons volksbestaan staat, Jezus.

Niet voor niets resoneert nog uit die tijd dat couplet van het Wilhelmus dat wij tot nu toe als we als volk op belangrijke momenten bij elkaar komen, op het eerste couplet laten volgen:

Mijn Schild en mijn Betrouwen
Zijt Gij, o God mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t'allen stond,
De tyrannie verdrijven,
Die mij mijn hart doorwondt.

Hoever zijn wij hier van weg gedwaald. Ons volk niet alleen, maar al die landen van Europa, waar in de tijd van de Reformatie het licht van Gods liefde en genade door het duister heenbrak. Zozeer als wij toen echter als land en volk door onze strijd voorbeeld en steunpunt geweest zijn voor andere volken, zijn wij nu in Europa, ja in heel de wereld op tal van gebieden met regelmaat het gesprek van de dag als het gaat over een voorbeeld van perversie, van onbelemmerde verslaving, een volk met bloed aan de handen.

Waar eens het licht van het evangelie en van Gods liefde en erbarmen het hart van Europa en van ons land uitmaakte, is nu een donker en duister gordijn onze landen in toenemende mate aan het bedekken, elk leven zoals God het bedoelt, en zoals leven alleen leven is, langzaam uitdovend.

In het navolgende verslag wordt u meegenomen op een taxirit door een van de steden van ons land. Zozeer wordt tijdens deze rit duidelijk hoever wij als volk weg zijn, dat het ons alleen maar brengen kan op de knieën voor onze God en Vader, en voor de Here Jezus, onze Verlosser en Vriend. Deze taxirit, die zich eigenlijk uitstrekt over de periode van ruim een jaar, heeft als passagiers gewone mensen, zoals wij, die bemind worden, diep bemind, door onze hemelse Vader en de Here Jezus. Wat ze zeggen en wat ze doen is echter een spiegel waarin wij onszelf als land en volk, en onszelf als christenen in ons falen en in onze val zien. Op de volgende pagina's zult u door hun gesprekken en daden geconfronteerd worden met bergen vuil, en viesheid, en gemeenheid, perversie en gebrokenheid. Onze God, hen beminnend, hun geschiedenis kennend, verlangt hen te bevrijden, te genezen, te reinigen, te redden. Voor hen, die in de taxirit op de volgende pagina's ons leven binnenschui­ven, vraagt Hij onze verbrokenheid, ons gebed. Voor hen, en allen in ons land waar zij voor staan, voor het geheel van ons land waar zij voor staan, vraagt Hij ónze reiniging en het offer van óns leven, opdat door ons sterven met de Here Jezus, Hij, de Levende, Zichzelf door ons heen aan hen, en aan heel ons land kan tonen. Dan zal het gordijn verdwijnen. Dan zal leven weer léven zijn. Dan zullen wij de hoge roeping en bestemming binnenwandelen die wij als volk hebben, om als volk Jezus te laten zien en te brengen bij andere volken.

De stad waar we doorheen rijden is Utrecht, en de namen van de gelegenheden en straten zijn echt, evenals de gebeurtenissen.

--- 



Het is al 's avonds laat. Even na twaalven. Ik sta met de taxi in het donker op Neude, als twee jongens van een jaar of vijftien op m'n zijraampje tikken. Hoeveel het kost om de een naar het ene dorp en daarna de ander naar het daarachter lig­gende dorp te rijden. We komen een prijs overeen, en ze stap­pen in. De een voorin, de ander achterin. Onderweg door het donker wisselen ze hun ervaringen van de afgelopen avond uit. Uit school waren ze met elkaar gaan winkelen en stappen in een paar kroegen en uiteindelijk vlak bij Neude in de Hardebollenstraat beland, waar de prostituées achter hun raam zitten. Ze waren beiden bij een andere prostituée beland. En nu vertelden ze elkaar in het donker van de auto de perverse details. De jongen achterin geeft hoog op van de prostituée waar hij geweest was. Een donkere. Hij beschijft haar. Vertelt hoe ze er op stond dat hij haar in de anus nam. Twee jongens, school­jongens, van een jaar of vijftien, zomaar een avondje uit. Maar de sfeer om de jongen op de achterbank is zó, dat ik voel: ik kan niets zeggen. De vijand ligt op de loer, met zijn klauwen uit, wachtend tot ik iets zeg. Ik zal moeten wachten tot deze jongen de auto uit is. Helaas. Als ik even later de jongen die voorin was gaan zitten naar huis rij, en voorzich­tig een gesprek met hem aanga, openbaart zich de stuurloosheid en de behoefte aan leiding van de jeugd. Vertrouwelijk zegt hij: "Ik vond er eigenlijk ook niks aan. Het is nu de derde keer dat ik het gedaan heb, maar ik denk dat ik er niet meer naar toe ga. Die jongen die we net hebben uitgezet is geen vriend van mij, maar gewoon een jongen uit mijn klas. Hij wilde daar naar toe. Maar ik denk dat ik niet meer ga". Ik vertel hem iets over mijn eigen omgaan met sexualiteit, en hoe machtig de Here Jezus op dit gebied dingen veranderd heeft. We gaan als vrienden uit elkaar.

Terug in de stad moet ik iemand ophalen bij een homobar aan de Oudegracht. Op straat, tegen de muur van het pand geleund, staan in het licht van de straatlantaarns twee mannen met de armen om elkaars middel. Een verliefd paartje. Ik bel aan, -het is een besloten bar-, en zeg dat de taxi er staat, en even later komt de jongeman die een taxi besteld had naar buiten en stapt in. Naar een stadje ergens buiten Utrecht. Onderweg haalt hij zijn mobiele telefoon uit zijn zak en belt zijn vriend wakker. In een duidelijke poging om hem jalours te maken, vertelt hij dat hij vanavond chance had, en dat hij het wel een hele leuke jongen vond. En hij had ook nog iets heel geils meegemaakt. Hij was aan het dollen geweest met de bar­man, en met het stukje ijs uit zijn drankje hadden ze een leuk spelletje gespeeld: het stukje ijs in elkaars mond laten glijden en daarbij flink tongzoenen.

Weer terug in de stad kom ik bij het nachtelijk Centraal Station. "Boven" (in taxi-jargon) wacht ik op het Stationspla­teau of er nog wat late passagiers uit het Station komen lopen. Een jongeman, met duidelijk haast, komt op de taxi af en stapt direct in. "O, wat ben ik blij dat ik veilig binnen zit", zegt hij. "Ik heb dat nog nooit gehad, maar anders kijk ik ze ook nooit aan, en nu wel!". Op het vrijwel verlaten Station hangen om deze tijd altijd nog wel een aantal van de vele, vele harddrugsverslaafden rond, die Utrecht-Centrum heeft. Toen hij een van hen in de ogen had gekeken, had die een aantal anderen een teken gegeven, en waren ze hem gaan volgen. Doodsbang was hij uiteindelijk zo haastig mogelijk naar de taxistandplaats gelopen.

Het is half twee als ik uiteindelijk in een nachtelijke straat twee nieuwe klanten ophaal. Vader en zoon naar later blijkt. De vader is duidelijk beschonken. Ik krijg een flink bedrag vooruit, met de mededeling dat ik zometeen eens iets mee zal gaan maken...! We rijden naar het andere eind van de stad, en onderweg maakt hij mij duidelijk: we gaan iemand vermoorden. Als jij wilt mag je haar eerst nog hebben. Weet je wat: je krijgt van mij hondervijftig gulden als je sexueel dit en dat bij haar doet, terwijl wij toekijken. Nou? Ondertussen zijn we in de straat waar ze moeten zijn. "Ouwe, rustig an nou, hè?!", zegt de jongen achterin, tegen zijn opgefokte vader. Ze blijken het juiste adres niet meer precies te weten en besluiten uiteindelijk aan te bellen waar ze denken te moeten zijn. Terwijl zijn zoon hem probeert te kalmeren, bonkt pa op de deur, de ramen, de bel van het in het donker gehulde huis waar hij vermoed dat hij moet zijn. Niemand reageert. Zijn zoon weet hem weer in de auto te praten en daar zegt hij, klagelijk opeens, en verslagen: "Ze heeft me in de steek gelaten, man, ze is gewoon weggegaan. Zoveel jaar zijn we getrouwd en nu is ze opeens weg. Ik word helemaal gek. Echt, ik ben normaal niet zo". Even later zet ik ze bij het beginpunt, hun eigen huis weer uit.

Even later stop ik op de Mariaplaats om een man binnen te laten die uit een van de kroegen in het Centrum van de stad komt. Ik zet de deur vast voor hem open en ga weer op de bestuurdersplaats zitten. Onvast komt hij aangelopen, strui­kelt de auto binnen, en kijkt me vanuit zijn over de voorbank liggende positie, zijn benen nog buiten boord, verbaasd aan. Zo van: hoe kom ik hier nou zo? Ik vraag hem waar hij heen moet. Voor mij een normale vraag, maar in hem wordt de argwaan wakker. "Sterrenwijk". "Oké, maar welke straat?". "Waarom moet jij dat weten?". "Dan weet ik hoe ik het best kan rijden", zeg ik. Maar het antwoord bevredigt hem niet. Hij vertrouwt het niet, en besluit te gaan lopen.

Terug op het Stationsplateau. Ik sluit me achter aan bij de rij taxi's die in het donker langs de rand van de stoep staan, wachtend op een mogelijke, late passagier. Een van de bekende dakloze verslaafden komt langs de raampjes van de taxi's. Hier krijgt hij wat; daar biedt hij iets te koop aan. Hij kent ondertussen zijn klantjes. Hij levert zelfs op bestelling. Overdag steelt hij het gevraagde uit de winkels. Een nieuwe dakloze komt langs. Hij laat zich niet zomaar afpoeieren. Een werkelijk supersonische stereotoren, die hij bij elk raampje weer beschrijft, probeert hij aan de man te brengen. Hij is duidelijk wanhopig. De prijs zakt dramatisch, maar niemand wil hem hebben. Hij is buiten zijn schuld om op straat komen te staan, vertelt hij me, en dit zijn zijn eerste nachten buiten. "Ik heb ergens nog een klein beetje van m'n huisraad opgesla­gen staan en probeer dat overdag te verkopen om te proberen 's nachts ergens binnen te kunnen slapen en iets te eten te hebben. Maar vandaag heeft niemand iets gekocht. Ik ben nog niet gewend aan de kou 's nachts buiten". Utrecht heeft meer dan duizend dak- en thuislozen.

Het loopt tegen zes uur in de morgen, en ik moet een klant ophalen bij een van de sluitende bars in het centrumgebied. Een jongeman, een jaar of dertig, met de sporen van een nacht doorgebracht in de kroeg op zijn gezicht, stapt in. We zijn het straatje nog niet uit of hij vraagt: "Heb jij nu genoeg aan driehonderd gulden per dag?". "Nou, dat zal wel lukken", zeg ik droog. "Nou, ik maar net", zegt hij. En dan volgt heel zijn verhaal. Dagelijks gaat hij er op uit met de trein om in andere steden en dorpen van ons land goede mountainbike's te stelen. Terug in Utrecht zet hij ze voor driehonderd gulden te koop, en komt zo aan zijn inkomen. Als ik zwijg, begint hij zich te verontschuldigen. Hij is verslaafd, en wat moet je anders doen om aan de dope te komen. Op een gegeven moment vraagt hij door, en als ik iets over mijn geschiedenis en over de machtige liefde van Jezus verteld heb, barst hij uit: "Weet je, ik ben van binnen zo rot als een mispel. Ik ben helemaal niks. Soms ben ik bang van mezelf". Hij wil stoppen met zó leven. Hij blijft doorvragen, tot in de diepste dingen wil hij weten of Jezus echt het antwoord is; of Hij echt houdt; of Hij echt blijvend en diep dingen anders maakt. Een hele generatie wacht op onze levens om het te tonen.

Zo tussen half zes en half zeven 's morgens lopen in het weekend in het centrum de bars en discotheken leeg. Duizenden jongeren zoeken na een nacht van dansen en schreeuwen, drinken en chancen hun weg naar huis. Taxi's rijden af en aan om de feestvierders tot ver in de omtrek weg te brengen.

Twee jongens en twee meisjes stappen in. Nog vrij jong. Vijftien jaar, hoor ik even later. Ze hebben alle vier stevig gedronken, maar de jongen die voorin stapt is er echt slecht aan toe. Met bloeddoorlopen wezenloze ogen kijkt hij mij even aan. Onder het rijden zakt zijn hoofd regelmatig op zijn borst. Gelijk daarna heft hij hem dan weer op en brult iets wat zijn mannelijkheid moet bewijzen. Vieze taal. Opeens geeft hij aan dat ik direct moet stoppen. Ik vermoed waarom, en zet de auto direct aan de kant. Wezenloos loopt hij een poosje buiten op de stoep rond, maar er komt niets. Als z'n "makkers" roepen dat hij nu maar weer binnen moet komen, en dat ze zo thuis zijn, slaakt hij nog enkele heldhaftige brullen en zakt weer in de stoel. Aangekomen op hun adres stappen de andere drie uit, en laten het aan hem over om te betalen. Hij heeft een half uur voor sluitingstijd uit stoerheid nog van alles door elkaar en direct achter elkaar naar binnen gewerkt, had ik gehoord van de anderen, dus erg vlot ging het betalen hem niet af. Hij stapt uit om tegen een boom geleund beter bij zijn portemonnee in zijn broekzak te kunnen, maar voordat hij zover is, slaat hij dubbel en leegt zijn maag keer op keer aan de voet van de boom waar hij steun zoekt. Zijn makkers lopen, zich drukkend voor het betalen, wat steels naar de deur van hun flat, en roepen dat hij moet komen.

Terug in het centrum houden drie jongens me aan. Ze geven hun adres op en we rijden weg. Onderweg gaat het gesprek over de kwaliteiten van de meisjes waar ze afgelopen nacht mee hebben gedanst en gedronken, gekust en gepraat. Het gaat om meerdere meisjes, want ze zijn in de Dansfabriek geweest, in Get Down, en zo nog een aantal discotheken. Een van hen spreekt zijn sexuele voorkeur uit voor jonge meisjes. "Ik wil ze niet meer boven de tien", zegt hij. Even later, -zijn gedachten zijn verder gegaan-, zegt hij het kleine zusje van zijn ene vriend wel heel aantrekkelijk te vinden. Ze zijn het met elkaar eens. En als even later de fantasie een nieuw diepte­punt vindt in: "Jouw moeder, daar zou ik het ook wel eens mee willen doen", wordt er rustig doorgepraat over het inderdaad wel aantrekkelijke van die gedachte.



Via de boordcomputer krijg ik door dat de Dansfabriek, in de Drieharingstraat, een taxi vraagt. Als ik in het smalle straatje arriveer, staat er niemand meer buiten, dus loop ik naar binnen en ga de lange trap af naar beneden, waar de dansvloer is. Het publiek is duidelijk al weg, en een aantal jonge mensen is bezig in de gigantische ruimte met diverse hoeken en gaten en bars in een aantal hoeken, een enorme laag die nacht door bezoekers stoer tegen de grond kapot gegooide leeggedronken glazen bij elkaar te vegen. Enkelen kijken op, met een ietwat betrapt trots lachje. De nacht die voorbij is hangt nog in de lucht van de ruimte. En al vegend, rinkel, rinkel, is het stoer om deel uit te maken van wat hier gebeurde. Nee, er is geen taxi besteld.

In de Lange Viestraat houdt een jongeman de taxi staande. Aan zijn strak gezicht en bloeddoorlopen ogen te zien, heeft ook hij er al een hele nacht opzitten, mogelijk met drugs. Op weg naar zijn huis begint hij opeens: "Weet je wat ik lekker vind? Een pilletje (XTC, of iets dergelijks) en dan seks". Als ik niet reageer, vraagt hij of ik ook van jongens hou. Wanneer ik zeg van niet, en dat sowieso omdat ik heel veel van de Here Jezus en van de hemelse Vader hou, ik zo niet met sexualiteit omga, zegt hij: "Jammer. Had gekund, toch?".

Over de computer krijg ik het adres door van de volgende klant. Iemand in de nachtclub aan het eind van de Amsterdamsestraatweg. Als ik de trap oploop, komt de arabisch klinken­de muziek me al dreundend tegemoet. Net als ik wil kloppen, gaat de deur open en een vrouw steekt haar verhit gezicht naar buiten, geeft me onverwacht een hatelijke schreeuw net boven de herrie uit vlak in m'n gezicht en gaat weer naar binnen. Ik loop langs de rand van de dansvloer naar de grote bar tegen de achterwand, om de barkeeper te vragen wie er een taxi besteld heeft. Op de dansvloer draaien de paartjes zinnelijk tegen elkaar aan. Ook twee vrouwen. Anderen zitten verveeld achter een glas bier aan tafeltjes langs de wand. Uit het gekleurd verlichte donker van de grote dansvloer haalt iemand degene die een taxi besteld had. Een buitenlandse man, zoals de meesten hier in deze plek waar vooral arabische muziek wordt gedraaid. In de taxi kreunt de man, en zegt dat hij zich zo schaamt voor zijn familie, dat hij vannacht hier geweest is. Maar hij had zich alleen gevoeld.

Het is ondertussen dag geworden. Als ik langs een bushalte rij in Lunetten, steekt de jongeman die daar staat zijn hand op. De bus was net voor zijn neus weggereden en hij wil naar het Centraal Station. Al pratend wordt duidelijk dat hij naar Rotterdam wil en daar voor een vriendenprijsje best heen gebracht wil worden. Zo gebeurt. Hij is Marokkaans, oogt zeer sympathiek, en ik voel de liefde van de Here voor hem, ook al begint hij de meest afschuwelijke dingen te zeggen. In de Verenigde Staten zijn die week de torens van het World Trade Centre onder het geweld van binnenvliegende vliegtuigen geval­len, en hij is er vol van. Israël is de schuld, dat is duidelijk, zegt hij. Amerika helpt Israël, en dat is stom. Israël vermoordt Palestijnse kinderen en zit achter heel veel kwaad in de wereld. Het moet uitgeroeid worden. Uit mijn reageren en niet reageren merkt hij iets. Hij kijkt me be­vreemd aan en vraagt of ik soms zelf Jood ben. Ik mag het gerust zeggen, hoor, je moet open over dingen kunnen praten. "Wel", zeg ik, "Ik ben niet Joods van geboorte, maar ik hou heel veel van de Here Jezus, en Die heeft het Jood-zijn aangenomen, Die is Jood. En omdat Hij in mij woont, wordt ik ook steeds Joodser!". Er ontwikkeld zich een gesprek -we hebben alle tijd tot Rotterdam- waarbij hij de merkwaardige combinatie blijkt te hebben van de meest extremistische funda­mentalistische moslim inzichten, en het vermogen om vervolgens rustig te luisteren naar woorden die volledig haaks staan op wat hij zojuist zei. Dat het land Israël Gods land is, wat Hij geeft aan wie Hij wil. Dat Hij gekozen heeft het aan het Joodse volk, aan Israël te geven. Dat ze het door de geschie­denis heen steeds alleen maar houden als ze in liefde en overgave met de HERE God leven. Dat de Palestijnen er alleen, en alleen in vrede kunnen leven wanneer ze Israëls roeping en positie erkennen... het passeert allemaal de revue. Hij is het volledig met me eens als ik zeg dat Israël ook nu nog door veel moeilijkheden heen zal moeten om haar vertrouwen op haar leger en intelligentie kwijt te raken, en alleen nog op de God van Israël te vertrouwen. Merkwaardig. Terwijl we verder praten over het wereldgebeuren, uit hij zijn zwartgallig levensgevoel. Hij is nu dertig jaar. Hij verwacht dat alles uit de hand gaat lopen en alles in oorlog en vuur zal ondergaan. Als hij de veertig haalt zal hij tevreden zijn. Ouder hoeft hij niet te worden, want het leven stinkt en heeft niet veel te bieden.

De houseparty in de hal van De Vechtse Banen gaat uit. Er zijn te weinig bussen ingezet om de vele duizenden jongeren naar het Centraal Station te brengen, dus taxi's rijden af en aan. Merkwaardig hoe verschillend deze jonge mensen reageren op een nacht lang opgenomen geweest zijn in een baarmoeder van oorverdovend geweld, met versnelde harteklop, lichtflitsen en orgiedronken dans van naakte vrouwen in een aantal kooien opgehangen aan het plafond boven hun hoofden. Sommigen ogen zo fris als een hoentje. Anderen hebben een vreemde blik in hun ogen en zijn vol agressie. Als een van hen in de volgeladen taxi op weg naar het Station die agressie verbaal op mij richt, kalmeren de anderen hem.

Een cameraman en tv-verslaggever uit Japan stappen in. Hun apparatuur hebben we in de kofferbak geladen en nu gaan we richting Schiphol. De verslaggever vertelt dat zij nu al in korte tijd voor de vierde keer in Holland zijn. Hij vindt het heel bijzonder dat zo'n klein land zo vaak de aandacht van de internationale pers weet te trekken. Hij graaft in zijn herinnering en somt op: "Eén keer waren we hier om jullie euthanasiedebat in het parlement te verslaan, en een keer om het debat over het homohuwelijk vast te leggen, en een poosje later moesten we wat plaatjes schieten van de eerste officiële homohuwelijken in Amsterdam, en nu zijn we op een groots opgezette Wietbeurs geweest. Allemaal dingen die in ons land en overal ondenkbaar zijn. Jullie zijn echt een voorbeeld van vrijheid voor de wereld. Zoals daarnet ook, dat buiten een politieagent het vele verkeer voor de bezoekers van de Wiet­beurs staat te regelen, en dat binnen mensen vrijelijk lopen te blowen en van alles te koop is wat met Wiet en dergelijke te maken heeft, dat is bij ons ondenkbaar". Ik leg uit dat dit een vrijheid is die je niet hoeft te verlangen, omdat die onherroepelijk Gods reactie, omdat Hij de Beschermer van het leven is, over je land afroept.

Er is een taxi besteld in een van de kelders onder de Oudegracht, waar een afterparty aan de gang is. Allemaal jongelui die er al een nacht op hebben zitten in de vele discotheken en kroegen in het centrum, en die toen iedereen om een uur of zes, zeven in de ochtend naar huis ging, hier nog even door wilden feesten tot een uur of half elf. Ik loop de trap af naar beneden, om langs het water van de Oudegracht naar de ingang van de kelder te gaan. Twee potige uitsmijters staan aan weerszijden van de deur. "Taxi", zeg ik, en word binnengelaten in een soort halletje, waar iedereen gefouil­leerd wordt en door een elektronisch poortje moet om eventuele wapens te ontdekken. De eigenaar, die hier ook staat, weet niet wie een taxi gebeld heeft, maar wil wel even binnen kijken. In de smalle, ronde, diepe buis die deze kelder onder de Oudegracht is, is het volledig donker. Alleen lichtflitsen van steeds maar een fractie van een seconde verlichten de dicht opeengepakte deinende zee van jongeren die zich als zombies bewegen op de ongelofelijk harde, alles overstemmende dreunende muziek in de vrij kleine ruimte. Even later duikt de eigenaar weer uit de menigte op. "Ik stop er mee", zegt hij. "Ik heb het aan een paar gevraagd of ze een taxi besteld hadden, maar ze zijn helemaal gek daarbinnen. Sorry".

Bij MacDonalds aan de Oudegracht haal ik even later een jongen en twee meiden van een jaar of vijfentwintig op, die ook van een afterparty komen. Het is nu half elf in de morgen, en deze meiden en deze jongen hebben hun bed inmiddels al meer dan vijfentwintig uur niet gezien. (Feestvierders zelf verzekeren me steeds dat zoiets zonder XTC of andere drugspillen niet kan). Ze zijn volledig doorgedraaid. Het ene meisje, wat voorin is komen zitten, verontschuldigd zich er voor. De twee achterin zijn het verste weg. De jongen zit alle ledematen die hij het meest bewonderd van het meisje naast hem te benoemen, en noemt haar een hoer. Zij ontkent: "Ik ben geen hoer. Ik ben een sletje. Ik vraag er nooit geld voor". Als ze even later vindt dat hij te ver gaat, zegt ze, zonder echt boos te zijn: "Als ik dit allemaal aan m'n vriend vertel, pakt hij zijn pistool en schiet je zo door je kop". "Jullie zijn echt helemaal doorgedraaid!", zegt het meisje voorin. Even later griezelen ze allebei als de jongen achterin begint te roepen: "Kijk eens, hé, kijk eens". "Doe weg, man, Doe die broek dicht man, viezerik". Ongelofelijk.

Boven, op het Stationsplateau, hebben twee chauffeurs die voor mijn taxi staan ruzie. Ze zijn beiden Marokkaans, en schelden elkaar heftig uit. In een poging om elkaar te overtreffen met woorden, verlaagt de ene zich door de ander te dreigen hem in de anus te zullen nemen. Als de ander daar niet van onder de indruk blijkt, weet hij nog maar één ergere belediging om de ander te treffen. Het spuit er uit, met haat vervuld, slechts één woord: "Jehudi" ("Jood"). Dat brengt de ander in beweging. Fel schreeuwt hij terug dat die ander een Jehudi, een Jood is. Wat moet dat worden als deze furie, deze grenzeloze, redeloze haat nog eens losgelaten zal worden op Gods volk, het Joodse volk, in ons land, in Israël, over heel de aarde. Zijn wij er gereed voor om nu en dan voor hen op te komen, hen te beschermen en indien nodig te verbergen?!

Op de busbaan langs het Smakkelaarsveld, vlak bij het Centraal Station, is een van de dakloze verslaafden gaan zitten. Een busschauffeur die vanaf CS komt en via de busbaan richting stad wil rijden, toetert en stopt een paar meter voor hem. Uitdagend en uitnodigend gebaart de dakloze de chauffeur dat hij wel verder mag rijden, over hem heen. Als er van de andere kant ook een bus nadert, gaat hij languit liggen, zodat hij beide rijbanen verspert. Gelaten grijpt de eerste busschauffeur naar zijn mobilofoon, om de centrale en zo de politie in te schakelen. Ondertussen loopt het verkeer hele­maal vast.



Ik haal een goed geklede jonge vrouw op -lange, rode jurk-, om haar naar het Centraal Station te brengen. Ze vertelt dat ze onderweg is naar een terrein vlak bij Amsterdam om met andere heksen komende nacht de zonnewende te vieren. Wat ze dan zoal doen? O, veel dansen om vuren, en wat heksendingen, en de opkomst van de zon afwachten en dat vieren.

Een jonge vrouw van een jaar of vijfentwintig vraagt me te helpen als ik op het bestelde adres kom. Een gigantische hoeveelheid plastic tassen, vol met kleren en allerlei spullen, staat gereed en moet in de kofferbak en op de achterbank. Naar het Centraal Station. Maar onderweg moet ik wel even stoppen bij "de tunnel", onder HoogCatherijne, waar in het neonbeschenen donker allerlei drugs word verhandeld en gebruikt. "De hel van de tunnel", beschreven daklozen in hun Straatkrant deze plek. Ze heeft haast, want ze moet een inter­nationale trein halen. Vlak bij de tunnel gekomen, springt ze uit de auto en roept vragend aan een aantal verslaafden die in de buurt staan: "Bruin? Bruin?" Ze wijzen naar een man een stukje verderop, die de begeerde drugs verhandelt. Wanneer ik haar even later geholpen heb de vele tassen op het perron te brengen en terug loop naar m'n taxi, roept een collega uit zijn geopend raampje: "Gaat ze weg? Dat was een paar jaar terug, toen ze net uit Rusland kwam, een mooi mokkel. Ze is hier helemaal naar de bliksem gegaan. Zonde van de meid!".

Het is rond de klonk van drieën. Tijd om door heel de stad heen de schoolkinderen bij de verschillende scholen op te halen en thuis te brengen. Ik rij naar de school die ik over de computer doorkrijg, en vraag naar de kinderen met de doorgekregen namen. Vier Turkse meisjes stappen in. Naar Kanaleneiland. Ik vraag hoe hun dag was en wat ze gedaan hebben, en ze vertellen. Als we bij een verkeerslicht wegrijden, zegt het meisje naast me tegen haar klasgenootje achterin: "Ohoh, dat zag ik. Jij stak je tong uit naar die meneer. Je toonde geen respect naar oudere mensen!". Ik verbaas me, en hoor als het ware haar ouders door haar heen. "Nou", zegt het meisje achterin verongelijkt, "alsof jij altijd alles goed doet!".

Als ik even later een tweede schoolrit heb, verbaas ik me opnieuw over het verschil als dag en nacht van de vorige kinderen met deze kinderen. Ze zijn Marokkaans, en hoe komt dat toch, wat is er toch met vooral de jonge generatie van de Marokkaanse Nederlanders? Een paar van hen zijn zo jong dat ze nog amper uit hun woorden kunnen komen, maar de ene golf viezigheid na de andere golft uit hun monden. Perverse dingen, die ouderen, en laat staan zulke jonge kinderen helemaal niet zouden moeten weten, maar die blijkbaar de (gedachten?) wereld zijn waarin zij leven. Incest en de meest perverse sexuele uitspattingen golven als braaksel door de auto, niet te stoppen. Arm volk. Wie ontfermt zich over jullie kinderen en jongeren? Hun grote broers hebben al jaren het grootste deel van de prostitutie en de misdaad in handen in Utrecht. Wat moet er van hen worden?

M'n laatste schoolrit voor deze middag: drie Nederlandse jongetjes. Een van hen, die voorin gaat zitten, is een jaar of tien. Een gaaf, open mannetje, die me al direct begint te vertellen over een boekenleesproject in hun klas. Hij heeft een boek uitgekozen, zegt hij -en ik hoor zijn moeder-, met niet teveel geweld erin, maar wel spannend. De schrijver heet Paul van Loon, en het gaat over Dolfje Weerwolfje. Hij verteld het hele verhaal, en ik gruw. Maar dat kan ik dit kwetsbare, fijne kleine mannetje niet zomaar plompverloren zeggen! Ik realiseer me weer eens te meer hoezeer het nú tijd is dat wij als christenen wakker worden en opstaan, en onze landgenoten helpen te zien wat er aan de hand is. Een hele generatie kinderen wordt vergiftigd met occulte verhalen en symbolen, niet alleen rechtstreeks uit het brein van satan, maar recht­streeks uit zijn realiteit. Via boeken als die van Paul van Loon en Harry Potter, die tot in de Albert Heijn's en de Hema's over heel ons land worden gepromoot, en waar de kinde­ren op af vliegen, en via allerlei griezel- en horrorfilms en occulte computerspelletjes wordt onze jeugd door satan ingewijd in de grondbeginselen van de binnenkant van zijn vuile koninkrijk. Een wereld van angst en griezelige wezens en rituele moorden komt hun ziel binnen, en wat denk u dat het uiteindelijk doel is van deze zoetgevooisde rattenvanger van Hamelen?! We moeten echt wakker worden, verbroken worden, onze plaats in de Here Jezus door Zijn genade weer in gaan nemen, want satan neemt dit land volledig over!!!

Een Amerikaanse zakenman. Hij moet naar Amsterdam en na gezamenlijke inspanning, waarbij hij het Stratenboek voor zich heeft, vinden we het hotel waar hij geboekt heeft bij het Rembrandtplein. Hij vraagt me te wachten tot hij ingecheckt en zijn koffer op zijn kamer gebracht heeft. Daarna wil hij naar een ander adres in Amsterdam. Ik parkeer de taxi aan de rand van het plein naast een vol terrasje voor een café. Het is mooi weer en de pratende en drinkende mensen genieten er duidelijk van en kijken ondertussen naar de passanten. Opeens loopt er een man voorbij op hoge hakken, zijn benen in zwart-doorzichtige kousen met jarretels, en in een gazen slipje, wat aan de achterkant een verticale opening heeft, waardoor je zijn blote bilspleet ziet. Een travestiet. Een nauwsluitend hesje met nepborsten en een opgetut gezicht maken het beeld compleet. Vanaf het terrasje klinkt applaus als hij op hoge hakken voorbij schuifelt. Hij buigt licht en loopt weer door. Even verder spiegelt hij zich voor een etalageruit en schikt zijn nepborsten. Nederland applaudiseert. Moet kunnen immers. God in Zijn liefde is het Die werkelijk van deze man houdt, en van de mensen op het terras van de samenleving. Zijn gemeente in dit land kan noch meeklappen, noch hoofdschuddend afkeuren en haar weg vervolgen. Onze tijd is op. Er moet werkelijk iets bij ons, Gods kinderen, veranderen, opdat dit land Jezus, in Zijn heilige liefde weer ziet, door ons heen.

Terug in Utrecht. Het Holland Casino vraagt om een taxi. Een Chinese jongeman stapt in en we rijden naar zijn huis­adres. Hij haalt even iets op in huis en daarna keren we weer terug naar het Casino. Wat schaapachtig vraagt hij daar: "Je kunt zeker niet wisselen?", en laat me een aantal duizendjes zien die hij blijkbaar net thuis is wezen halen.

Even later stapt bij het Casino een echtpaar de taxi in. Naar een plaats buiten Utrecht. De man is overdreven vrolijk en luiddruchtig. Zeker veel gewonnen, denk ik. Maar het tegen­deel blijkt het geval. "Ben je boos op me?", vraagt hij opeens aan zijn vrouw, die achterin zit. "Nee hoor". "Joh, wat kan het ook schelen. Het is maar geld". zegt hij. "Huhhuh", beaamt zij. Hij probeert haar en zichzelf nog een poosje te overtui­gen dat het allemaal niets uitmaakt, maar zegt dan opeens: "Dat waren wel heel veel maandsalarissen". Even later, naar mij: "Ga er nooit heen, chauffeur. Je gaat er kapot aan. Wij zijn een week lang elke dag geweest, maar we gaan nooit meer!".

Als ik later opnieuw voor het Casino sta te wachten, komt er een Marokkaanse collega bij me staan voor een praatje. Hij is vol van iets wat afgelopen nacht gebeurd is, en overweegt nog steeds om aangifte te doen bij de politie. Verontwaardigd vertelt hij me hoe afgelopen nacht van ongeveer half twee tot een uur of drie op een taxistandplaats waar meerdere taxi's stonden een meisje van amper vijftien jaar van de ene taxi naar de andere zwierf en met de chauffeur flirte. Eerst één chauffeur, en een half uurtje later een andere, beiden Marokkaans, hadden haar meegenomen in hun auto en kwamen even later weer met haar terug. Een van hen was bij deze collega komen opscheppen dat ze seks hadden gehad, waarop deze bijna was geëxplodeerd. Hij had thuis een dochtertje van dezelfde leeftijd en walgde van heel het gebeuren. Met de felheid Marokka­nen eigen, had hij gezegd: "Joh, maak dat je wegkomt. Als ik een mes bij me had zou ik het nu in je buik steken. In Marokko zou je hiervoor gevild worden!".

Een bordeel aan de Voorstraat. Van de buitenkant ziet het er uit als een gewoon huis. Ik bel aan en meld door de intercom dat de taxi er staat. Even later komt een meisje van achttien jaar naar buiten, met haar handen vol met een tas en een paar laarzen. "Mijn attributen", zegt ze als ze instapt. We gaan naar de Vleutenseweg, naar een ander bordeel. "Daar kan ik meer verdienen", legt ze uit. "Hier komen geen buitenlanders, en daar wel. Dat verdient veel beter". Het gesprek komt op het geloof, en ze geeft aan dat ze zoekende is. Ze heeft pas heel de Koran doorgeworsteld en wil nu aan de Bijbel beginnen. Ik vertel haar van Gods liefde voor haar. Hoe Hij niet veroordeelt, maar je leven wel totaal nieuw maakt. Ze zal er over denken, zegt ze.



Het is opnieuw avond geworden. Boven de wijk Zuilen zie ik grote lichtbundels uit een cirkels draaiende helicopter op de stad vallen. Wat is er aan de hand? Bij het benzinestation hoor ik dat men al uren zoekt naar een klein meisje wat die dag verdwenen is. Later hoor ik dat haar lichaampje gevonden is, als oud vuil door de moordenaar verstopt tussen vuilniszakken op het afvalscheidingsstation aan de Tractieweg.

Over de computer krijg ik een bekend adres door. Ik heb haar nu al een keer of vijf gereden. Eenmaal met haar kleine dochtertje naar het winkelcentrum, en vier keer 's avonds naar het Zandpad, waar ze als prostituée in een van de woonboten voor het raam zit. Ze heeft een man, en al een paar keer hoorde ik ook haar dochterje boven huilen als haar mama 's avonds weer wegging. Ze is nog maar een jaar of vierentwintig en komt uit een Afrikaans land. Een klein, grappig, vrolijk grietje. Het zou je zusje kunnen zijn. Ze heeft een vast ritueel om haar bravour te bewijzen. Als ze ingestapt is doet ze pas omstandig de rits van haar gulp dicht. Bravour. Haar vrolijkheid is opgelegd en meestal bereikt met iets stimulerends wat ze net gebruikt heeft. Een keer kon ze het niet volhouden, neerslachtig als ze was, en bekende dat ze er maar wat graag mee zou stoppen. Maar er is iets (of iemand) wat (die) haar dat verhindert. Wat ik haar vertel wil ze eigenlijk niet horen. Ze zit gevangen, en ziet geen uitweg. Daarom maar niet teveel nadenken en "vrolijk" verder gaan.

Een jonge vrouw met een klein jochie aan de hand komt op het bestelde adres snel naar buiten gelopen als ik voorrij: "Gelijk wegrijden", zegt ze gejaagd als ze instapt. Ik vraag niets en rij op haar aanwijzingen snel door een wirwar van straatjes tot naar het Centraal Station. Ergens onderweg raakt ze iets ontspannener en begint te vertellen. Ze is Marokkaans en ook getrouwd met een Marokkaan, die ze nu ontvlucht. Hij sloeg en mishandelde haar, hield haar zoontje van haar weg, sloot haar op, verscheurde haar paspoort, maar nu is het haar gelukt om te ontsnappen en haar zoontje mee te nemen. Bij het Station gaat ze een bekende bellen die haar wil helpen naar het buitenland te vluchten. "Ik ga een totaal nieuw leven opbouwen", zegt ze vastbesloten. Het jochie op haar schoot knabbelt tevreden op wat hij uit een klein zakje chips op­diept.

In Hooggraven stappen ze in. Beiden buitenlands. Naar een plaatsje buiten Utrecht. Daar bij zijn huis aangekomen, gaat hij naar binnen om geld te halen, en stort zij ondertussen haar hart uit. Ze is Oostduitse. Vroeger in de voormalige DDR had ze een verantwoordelijke taak op een collectieve boerderij als cheffin melkproductie. Op haar negende werd ze door Russische soldaten verkracht. Na de val van de Berlijnse Muur is ze gaan zwerven en onderweg verslaafd geraakt aan de drugs. Afgekickt, weer verslaafd, opnieuw afgekickt, opnieuw verslaafd... Ze is wanhopig. Wil er vanaf. Ze geeft me haar naam op een briefje en vraagt of ik de komende tijd voor haar wil bidden. Als de man terugkomt, rijden we weer naar Hooggraven. Daar staan een aantal Marokkanen op een straathoek te dealen. Voorzien van waar hun lichaam om schreeuwt, maar wat hun ziel haat, breng ik ze daarna weer terug naar huis.

Ze was me al eerder opgevallen, op straat, maar nu heb ik haar in m'n taxi. Een jonge vrouw, groot, dag in dag uit gekleed in een gigantische, lange, wijdvallende jurk van zachtglanzende Gotische stof. Ze is geschminkt als een lijk: lijkbleek gezicht met volledig dik zwart geverfd rondom haar ogen. Als ze op straat voortschreed -een ander woord kwam me nooit te binnen- ging er van haar trotse verschijning een zwarte dreiging uit. Ik had altijd het gevoel alsof zij niet alleen was, en dat je haar beter uit de weg kon gaan. Er lopen nog wel een aantal jonge vrouwen door Utrecht, gekleed zoals zij, maar die hebben die donkere aanwezigheid niet. Op een keer zag ik haar in de stad lopen, terwijl uit een geopend raampje een passerende automobilist haar uitschold. Ze haalde zonder verdere reactie trots een zakboekje uit haar jurk en schreef rustig het kentekennummer op. Op een of andere manier had ik het idee dat dat niet naar de politie zou gaan, maar dat die automobilist niettemin in de komende tijd problemen, zware problemen zou krijgen. Ik bad de Here om dat te verhinderen. En ik bad voor haar. En nu zit ze in m'n taxi, terug van een feest, elders in het land, met allemaal mensen zoals zei. Ze lopen allemaal altijd in Gotische kleren en schminken zich als lijken. Waarom kan ik de indruk toch niet van me afschudden dat het allemaal met satan te maken heeft? Ze is vrolijk en wil verder nergens over praten, maar ik ben op m'n hoede en bidt dat haar trots breekt, en ze zal zien dat niet zíj macht heeft door haar levenswijze, maar dat ze in tegendeel zelf gebruikt wordt, en in het eind daar zeer ongelukkig door zal zijn.

Twee jonge mannen zijn achter ingestapt en willen naar het centrum. Onbeschaamd, in volledige overtuiging dat de wereld waarin hij leeft, de wereld is waar immers iedereen in leeft, vertelt een van hen aan zijn vriend hoe zijn moeder iets geroken had boven, op zijn slaapkamer. "Weer een vriendinnetje boven gehad?", had ze gevraagd. Op zijn bevestigend antwoord had ze gezegd: "Doe je wel voorzichtig?". "Moet jij nodig zeggen", was zijn reactie. "M'n moeder lust er namelijk wel pap van", vertrouwt hij de ander toe. "Je maakt mij niet wijs, dat zij ook altijd veilig vrijt".

Een vrouw van een jaar of vijfenveertig stapt in bij het café waar ze me besteld heeft. Ze heeft heel wat teveel gedronken, en laat zich op een gigantische manier gaan. Ik ga zo min mogelijk op haar woorden in, en ben van binnen vastbesloten de dronkemansvertrouwelijkheid van haar handen op mijn armen niet verder te laten gaan. Vlakbij haar huis gekomen, laat ze opeens blijken best door te hebben wat er gaande was, want ze zegt: "Je hebt het goed gedaan, jochie. En je hebt goed geluisterd". Gaandeweg was namelijk het verhaal eruit gekomen: scheiding, financiële problemen, haar ex-man die haar geërfd ouderlijk huis af wil pakken... "Stop hier maar", zegt ze, "dan kan m'n zoon niet zien dat z'n bijstandsmoeder met een dure taxi uit het café thuiskomt".

Een onbekend adres. Ik bel aan bij het nummer van de flat wat ik heb doorgekregen. "Ja?", zegt een ietwat achterdochtige stem over de intercom. "Taxi". "Oké, ik kom er aan". Ik stap weer in de auto en zie even later een jonge vrouw vanuit de hal van de flat in het donker naar buiten kijken of inderdaad de taxi er staat. "Europalaan", zegt ze, als ze is ingestapt. En ik realiseer me dat ze prostituée is. Aan de Europalaan staan bijna alleen drugshoertjes. Zou zij ook verslaafd zijn? Ik begin een praatje, en zij vertelt. Wat ik hoor schokt me. Hoe bestaat het, dat er telkens weer dingen kunnen zijn die nog weer verder gaan dan je al dacht te weten. Als ze verteld heeft dat ze hier een jaar geleden mee begonnen is om haar studie te bekostigen, en dat ze nu afgestudeerd is, maar dit nog een jaartje doet, zolang ze nog niet weet wat ze zal gaan doen, zegt ze opeens: "Ik heb nu in drie avonden een maandsa­laris. Ik heb weinig concurrentie, want de anderen zijn ver­slaafd of omgebouwd". "Omgebouwd?", reageer ik ongelovig. "Jazeker, meer dan de helft is travestiet", zegt ze. "Maar dat merken die mannen die hen in de auto nemen toch", vraag ik verbijsterd. "Vaak niet eens", zegt ze. "De meesten willen toch anale seks".

Over de computer krijg ik een adres in de Hardebollen­straat. "Wat zal het zijn", denk ik, "een klant of een prostituée?". Als ik voorrij bij het bestelde huisnummer gaat de deur al open. Een prostituée van een jaar of vijftig, in vol ornaat, reikt wat plastic tassen aan aan twee jonge vrouwen die haar "mama" noemen, en neemt afscheid van hen. Naar het Station. Ze blijken afkomstig uit de Dominicaanse Republiek en ik zie opeens hoe schrijnend het is dat wij als Nederlanders, als Nederland de Dominicaanse, Oekraiense, Afrikaanse mama's van zoveel kinderen beklimmen en onteren.

Er stapt een man in, die overduidelijk homofiel is. Hij doet al het mogelijke om dat ook zeer duidelijk te maken. Overdreven beweegt hij, gebruikt met hoge stem allerlei ver­wijfde woordjes en probeert zichzelf en zijn manier van leven me op te dringen. Er is duidelijk geen neutrale grond voor hem. Hij is een strijder aan het homofiele front, en iedereen moet er aan geloven. Ik hou hem volledig buitenboord, en laat hem tegelijk de openheid en liefde van de Here voelen. Merk­waardig hoe de Here Jezus dat tegelijkertijd in je kan geven, in je kan zijn. Niets van het vuil wordt aanvaard, maar wie hij bedoeld wordt is welkom, wordt bemind. Hij heeft iets van beide gemerkt, en aan het eind van de rit spreekt hij zijn waardering daarover uit.



Een schuchter, aardig meisje, een jaar of twintig, stapt op het Centraal Station in. Naar het Zandpad, de woonboten. Ze komt uit Polen en woont in een andere plaats in Nederland bij haar oma. Hoewel ze nog maar een aantal jaren in Nederland is, spreekt ze onze taal al vrij goed. Op het Zandpad gekomen, vraagt ze me of ik even wil blijven wachten tot haar collega de kamer zal verlaten, waar zij de rest van de nacht voor het raam zal zitten. Het is vijf voor negen in de avond, en om negen uur wisselt de nachtploeg van prostituées de dagploeg af. Het was niet voor de kou dat ze niet buiten wilde staan, maar om de mannen die daar rondliepen. Merkwaardige ziel van ons mensen, met een geschiedenis die God alleen kent. Ik weet dat Zijn hart uitgaat naar al die geknakte en gekneusde levens die schuilgaan achter de blote humbug achter al die ramen, en achter de eenzame staarders in de auto's er voor.

Over Neude komt een grote, sterke kerel met aan beide zijden een mooie vrouw aan lopen. Het blijkt een pooier met twee van zijn meiden te zijn. Ze komen uit Litouwen en praten achterin zachtjes met elkaar in hun eigen taal. Op de plaats van bestemming neemt hij afscheid van hen met een stevige zoen, en praat teder over zijn meiden.

Vier zakenmensen stappen in. Keurig in het pak, een strak, zwart koffertje op de knieën zitten ze voor- en achterin. Maar door de auto golft opnieuw onophoudelijk het braaksel van perverse geesten. Een van hen, gedistingeerd, is de aansteker, maar de anderen stoppen hem niet, maar vallen bij. De man is geobsedeerd door kinderen. Maakt vieze grapjes over seks met kinderen. wijst op een klein meisje op straat en noemt haar een lekker ding. Het golft door, tot deze heren uitstappen voor het chique restaurant waar ze gaan dineren. Ik bedenk dat de laatste tijd in de gesprekken van mensen in de taxi dit steeds vaker voorkomt. Satan is bezig het volgende taboe te doorbreken. Kinderen zijn niet langer heilig. Ze zijn prooi.

Een zakenman wil van het restaurant waar ik hem ophaal, terug naar de Jaarbeurs, waar hij zijn stand heeft staan. Heel de week, zolang de Vakbeurs duurt, bivakkeert hij in Utrecht en nu, in de avond, wil hij nog even een aantal dingen op zijn stand nakijken voor hij naar bed gaat in zijn hotel. Hij heeft het over zeven vette jaren voor zijn business. Lachend, maar ik voel dat de Here iets door mij heen tot deze man zegt, zeg ik hem: "Nou, dan weet u wat daar op volgt, en wat u nu moet doen". Maar hij weet het niet. Kent de geschiedenis van Jozef in Egypte helemaal niet, en vraagt wat ik bedoel. "O", doe ik luchtig, "dat staat in de Bijbel, de geschiedenis van Jozef. In de zeven vette jaren moest hij van God opzij leggen voor zeven magere jaren die zouden volgen". Als hij is uitgestapt, kijkt hij nog even naar binnen en zegt met een ernst die aangeeft dat hij ook voelde dat er iets tegen hem persoonlijk gezegd werd wat boven mij uitsteeg: "Bedankt voor de goede raad". Iederéén heeft een hemelse Vader, en op een wonderlijke manier maakt Hij Zijn liefde onverwacht duidelijk.

Op geen moment komt schrijnender de situatie van ons land en ons volk naar boven als op zondagmorgen. Wanneer van zo half zes tot een uur of zeven de bars en discotheken zijn leeggelopen, en de taxi's de duizenden jongeren her en der in de stad en in de dorpen er om heen naar hun huizen gebracht hebben, wordt de stad stil. Uitgestorven. Tot een uur of half tien, wanneer de eerste kerkgangers -hier eentje, daar twee- zich naar de kerken, verspreid over de stad begeven. Hoe triest, hoe ontzagwekkend triest dat ze elkaar zijn misgelopen. Hoe hemelschrijend dat ze zich elkaars bestaan nauwelijks bewust zijn. Die over heel de stad verspreid overal in de huizen duizenden jonge mensen, die nu hun roes liggen uit te slapen, moe gefeest, - en die keurige mensen, die daar bijna verloren op de grote pleinen en over de lege straten lopen. Wat is er veel mis. Wat is er heel veel mis. En we weten het niet. We denken dat het goed gaat. O, niet met die jonge mensen, en niet met Nederland, natuurlijk niet. Dat gaat hollende achteruit. Maar met ons, met ons gaat het wel goed. En we lopen door de stille zondagmorgen naar de kerk van onze kleur. Groeten verheugd onze broeders en zusters. Fijn toch, om elkaar weer te zien. Respectabele lieden zijn we, keurige mensen. Gered. "Want het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonde". En we vertrouwen daarop. En we houden van de Here. Maar het land gaat naar de bliksem. En de jongere generatie zijn we misgelopen. En dat er een geestelijke strijd gaande is om ons land, we hebben er geen weet van. Laat staan dat we op onze post staan als soldaten in het leger van onze Here Jezus. Wat kan die afschuwelijke geredheid van Gods kinderen in dit land toch eindelijk breken?! Is het misschien Gods huilen over ons land? Is het misschien Gods huilen over Zijn kinderen, die zich niet bekommeren over wie Hem zo ter harte gaan?

---



Misschien bent u tijdens het lezen van de voorgaande pagina's wel eens misselijk geworden; heeft u eigenlijk al dat vuil weg willen schudden, en weer door willen gaan met uw geredde leventje. Maar het kan niet; het mag niet. Nooit meer! Er moet iets veranderen. Heel dringend, en heel sterk. Waar we in de voorgaande pagina's doorheen zijn gegaan, was een riool. En iets van die stank zit nu in onze kleren. Maar wilt u respectabel en keurig blijven als Uw God en Verlosser Zich daar niet om bekreunt, maar huilend door de stad en door het land gaat, en nog meer en ergere gruwelen ziet, dagelijks, ieder moment, dan in het voorgaande. Hij, de Heilige, Wiens heiligheid op geen enkele wijze door al deze viesheid en vuilheid, gemeenheid en perversie kan worden besmet, schaamt Zich niet om door dit riool van ons land te waden. Hij, de hoogheilige, kwam onder ons leven om ons juist uit dit riool te redden. Hij is ook nu nog onder ons, in dit land, en zoekt Zich uit te drukken door ons, Zijn kinderen. Nergens is Hij meer verbroken van, dan van het gebrek aan bewogenheid van Zijn kinderen. Hij ziet dat hun levens zich zo maar dag aan dag aaneenrijgen, zonder dat hun omgeving werkelijk verandert. En de tijd raakt op! Wat blijft Hem over, dan Zijn beminden, Zijn lieve kinderen, hun egoïsme af te leren, zodat eindelijk heel het land Jezus gaat zien.

Aan het begin van ons volksbestaan waren onze voorouders dit afschuwelijke egoïsme volledig kwijt. En Jezus wèrd zichtbaar. En velen wèrden gered. Onze voorouders, aan de vooravond van ons bestaan als zelfstandig volk, onder de Spaanse bezettingsmacht, verduurden de druk van aanbrengers om hen heen, die uit waren op de door de bezetter beloofde beloning van de helft van hun bezittingen. De rest ging naar de bezetter. De levens van hen die op Jezus alleen vertrouwden, waren het fundament waarmee Jezus Zelf de grond legde voor Holland. Telkens als weer een kind Gods op onze bodem, in onze steden in brand gestoken en vermoord werd, meer dan vijftig duizend keer, was Hij het die overwon. Niet Zijn vijand, die deze lage landen aan de zee in zijn duistere greep wilde houden. Telkens als weer een van onze voorouders en hun kinderen Jezus en leven met Hem belangrijker vond dan al het andere, was dat een klap in het gezicht van satan; werd zijn macht in de hemelse gewesten boven ons land zwakker en zwakker. Daar op die brandstapels en op die pijnbanken werd de strijd gestreden en de overwinning over de vijand behaald. Wat zich later militair en politiek voltrok, in het zelfstandig worden van ons land, Nederland, was slechts verzilvering van al die meer dan vijftigduizend overwinningen!

Zo groot is Gods liefde voor ons land, dat Hij "gegrond heeft op de zeeën, en gevestigd op de rivieren" (Psalm 24:2), dat Hij niet wil dat dit land opnieuw wegzinkt in de golven. Diep is de liefde en onverbrekelijk de trouw van de God Die aan het begin van elk waarachtig vertrouwen op Hem staat. Wij, Zijn kinderen, hebben het lot van dit land in handen. Blijven onze handen slap, dan zinkt alles weg. Komen wij voor Zijn aangezicht, dan gaat Hij ingrijpen. Alle macht in hemel en op aarde behoort onze God toe. Maar Hij ontzet Zich als er geen voorbidders zijn. Als Zijn kinderen zich niet laten gebruiken om Gods zegen naar beneden te bidden, om als Daniël God te herinneren aan Zijn beloften, en net zo lang aan te houden tot Zijn antwoord, tot Zijn ingrijpen komt, dan zal onze God Zelf in liefde het land en Zijn kinderen wakker moeten schudden. Des te dieper we slapen, des te sterker moet Hij schudden. Laat dat niet nodig zijn!!! Waak op! Daniël was een balling in een vreemd land. Toch zocht hij het goede ervoor, diende onder meerdere vorsten als minister. Maar nooit hield hij op te bidden voor de doorbraak van Gods koninkrijk. Het land, de aarde behoort de HERE toe. Het land, de aarde moet voor Hem worden teruggewonnen. Niet langer mag de vijand zijn vuige gang gaan, en stukje bij beetje totale grip op alles krijgen. De hemel boven Holland moet weer open waaien. Het licht van God, liefelijk, wil ons weer beschijnen, ons allen! Dacht u dat dat te groot een visioen was? Te groot voor de God Die in zes dagen alles, van het kleinste dier tot de grootste berg, schiep?

Weet u wel hoe persoonlijk God u kent?! Weet u wel dat Hij een plan klaar heeft liggen, uniek en speciaal voor u?! Nie­mand anders kan dat vervullen. En de levens van duizenden, misschien wel miljoenen hangen daar van af. Als u wandelt in die heel speciale roeping die uw hemelse Vader in de Here Jezus voor u heeft, gaan de dingen om u heen veranderen. Hij leidt u van het een naar het ander, zoals eens de apostelen werden geleid, en al die broers en zussen die in de tijd na Pinksteren leefden. Wat was hun geheim? Zij wisten van het plan, en gaven zich aan de Here over om hen daarin te leiden. En zo gehoorzaamde Filippus aan de stem van de Here, Die hem zei: "Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is". En door te gehoorzamen aan Gods stem, wandelde hij in Gods plan voor zijn leven voor die dag. Hij vond een Moorman op terugreis, volgde Gods aanwijzing, en leidde hem tot Jezus.

Bij u begint het! Bij uw vragen aan uw Here en Verlosser om Zijn heel persoonlijk omgaan met u meer te ervaren. Bij uw vragen aan Jezus, de Zoon van God, uw Vriend, of Hij Zijn diepste geheimen met u wil delen, of Hij Zijn diepste verlangens u wil vertellen, of Hij met u door de dag wil gaan, door de keuken, en de garage, en of Hij wil zeggen wat u in al die situaties moet doen en zeggen. U hebt een Vriend Die heel de dag met u door wil brengen, Die u Zijn diepe, heel persoonlijke liefde voor u, in wie u bent, en wat u meegemaakt hebt, telkens in zoveel onverwachtse momenten en op zoveel wonderlijke manieren zo lief toont.

Zo begint het. Bij u. Bij uw verlangen en vragen naar Hem. Of het zwarte wolkendek boven Holland straks breekt, of de zon doorbreekt van Gods liefde voor ons allen, hangt af van u. Of u bereid bent achter uw Verlosser en Vriend door de woestijn te trekken naar het beloofde land.



Toen Israël uit haar gevangenschap in Egypte uittrok, achter de Here aan, de woestijn in, op weg naar het beloofde land, leerden zij de lessen die dezelfde God ook ons wil leren. Het is nodig, noodzakelijk dat wij deze lessen leren, wil dit land herrijzen. Al te lang heeft Gods gemeente in ons land in cirkels rondgetrokken door de woestijn, zonder echt verder te komen, of te willen komen in de richting van het beloofde land. Maar groot is Hij Die toen voor Israël uittrok, en dat opnieuw doet voor Zijn gemeente uit Joden en heidenen. Als een Herder voor Zijn kudde. En wat leert Hij ons? Zie, naar het voorbeeld, onze broeders en zusters toen.

Diep in ons bewustzijn wil het zakken, als op de avond van die eerste Pesach in Egypte, dat een Lam, het Lam van God ons gegeven, en dat het bloed van dat Lam, Jezus, de Zoon van God, de diepe band met onze Vader in de hemel schept en fundeert. En in de omgang met dit Lam, in het volgen van Hem, de woes­tijn in, blijkt Zijn karakter en het onze.

Boven komt dat wij wel Egypte uit, maar Egypte ons nog niet uit is. En hier is het dat Gods gemeente in ons land zo faalt. Zo in cirkels rondtrekt. De les niet leert, en daarom de leerstof opnieuw door moet nemen. En toen toch nog niet verder gekomen is. We zijn gered, maar niet bekeerd. We zijn gered, maar leven als in Egypte. In Egypte.

Wat heeft de hemelse Vader veel werk gehad aan onze broers en zussen toen, die uit slavernij bevrijd, toch nog als slaven dachten. Als wij! Als de kerk van Nederland! Die niet leeft met haar Vader als een kind, aan wie Hij, nu Hij zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven, met Hem en in Hem alles wil geven. Alles! Wij hebben geen idee wat dat betekent. De Reformatorische kerken in ons land cirkelen om Pesachavond, en komen Egypte niet eens uit; hebben geen idee van een Verlosser Wiens levende Stem, diep van binnen gehoord, je brengt tot aan de Jordaan van totaal sterven aan jezelf, en door deze wateren heen de nieuwe bodem, het beloofde land van volkomen eenheid met Jezus binnen. Jezus Zelf binnen. In al Zijn volheid. Zodat niet meer wij leven, maar Hij in ons. En Hij Zijn lichaam heeft op aarde, waar Hij door heen kan lopen waar Hij wil, de handen opleggen en zegenen wie Hij wil, bevrijden en genezen, redden en aan Zijn voeten brengen wie Hij wil. Het Hoofd heeft nu Zijn lichaam niet. Het Hoofd heeft een lichaam wat Zijn signalen niet opvangt, wat grotendeels haar eigen gang gaat en daarbij naar Hem opkijkt om háár gang, háár programma's en háár in liefde voor Hem gedane arbeid te zegenen. Maar Gods plannen blijven liggen, want niemand vraagt ernaar, zoekt ernaar! En mensen gaan verloren, omdat de kerk niet zoekt, zoekt, zoekt met al wat in haar is, de stem van haar Here en Hoofd te verstaan, en Hèm te volgen, in Zìjn plannen, die wèl volle zegen brengen. Die wèl het land op zijn kop zetten en het duister verjagen! Want dit is in het hart van onze God. Gedachten des Vredes voor een heel land, een land dat Hij eens Zelf formeerde, en een volk dat Hij eens Zelf haar zelfstandigheid gaf in haar worsteling om vrij voor Zijn aangezicht te mogen leven.

De Stem van de Here, waarvan Mozes eens zei, in de woestijn, dat hij wel wilde dat heel het volk profeten waren, die de Stem van de Here hoorden en doorgaven, door Gods Geest in hen...De Stem van de Here, waarvan Joël profeteerde, en Petrus de vervulling zag, dat heel het volk van God Zijn Stem hóórde en profeteerde en gezichten zag... kinderen, ouders, opa's en oma's, allen! De Stem van de Here, die Cornelius zijn dienaren naar Petrus deed sturen, die Petrus met hen mee deed gaan, die Filippus de Moorman deed ontmoeten, die Paulus in Europa bracht. De Stem van de Here, die de Stem van de Goede Herder is, Die er voor zorgt, Zelf, heel persoonlijk, dat Zijn schapen Zijn Stem horen, en de stem van de vreemde, die op hun ondergang en misleiding uit is, absoluut niet volgen.

Er om vragen, is het begin. Geduld hebben, is de voortgang. Een wonderlijk leven met Hem binnen komen, is de beloning.

De woestijn, onmisbaar als plaats om getraind te worden voordat we kunnen erven wat God voor ons heeft, zullen we allemaal doormoeten. Maar we gaan er met Hèm doorheen! En we leren er al beter Zijn Stem verstaan en Hem zo volgen. Zijn programma, Zijn trainingsprogramma voert ons door situaties en momenten die later onmisbaar zullen blijken in de strijd om het land te heroveren. Israël, toen, leerde bijvoorbeeld -zie Numeri 9:15 t/m 23- haar eigen wil, haar eigen agenda op te geven. Steeds was het de wolk- en vuurkolom boven hun leger, de HERE Zelf, Die bepaalde: "We trekken weer verder, Mijn volk". En de tenten werden weer afgebroken, de huisraad opge­la­den, de dieren bijeen gedreven, en voort ging het, achter de HERE aan. Soms hadden ze net alles afgeladen, hun tenten opgezet, een heerlijke nacht slaap gehad, of de volgende morgen klonk opnieuw de Sjofar: het ging weer verder. De wolkkolom had Zich weer opgeheven. Of precies andersom: soms bleven ze maanden ergens bivakkeren, zodat ze eigenlijk wel weer verder wilden, maar -dat was de les- de eigen agenda bestond niet meer! De Here vult nu alles in. Wat een heerlijke God hebben wij. Zo raak je jezelf wel kwijt! Dat is echt sterven. En zie je dat dat zonder de Stem van de Here, en zonder uw volkomen gehoorzaamheid aan wat Hij zegt, u Zijn trainingsprogramma, en de woestijn nooit doorkomt?! Dat dan ook u niet gereed raakt om zometeen in volkomen eenheid met Hem door Hem gebruikt te worden om de vijand te verjagen, "de tyrannie verdrijven, die mij mijn hart doorwond"?!

Maar waarom kan de HERE mij zo niet gebruiken? Ooit van een bevelhebber, een generaal gehoord, die zonder goede communicatielijnen zijn troepen de strijd in stuurde? Ooit gehoord van een legeraanvoerder die niet eerst zijn leger discipline bijbracht, zijn troepen oefende in gevechtssituaties, hun conditie en uithoudingsvermogen tot het uiterste opvoerde, voordat het gevecht begon? Daarom kwam Amelek, toen, in de woestijn plotseling op Israël af. Daarom waren er de uitput­tende dagmarsen - hoewel de HERE hen tegen de ergste hitte beschermde door de wolkkolom, Zijn tegenwoordigheid boven hen. Daarom bracht Hij hen in noodsituaties, waar het water op was, de bronnen uitgedroogd, opdat ze zouden leren hun vertrouwen op Hem te stellen, Die alles overziet, en die Zijn leger op machtige wijze van alles voorziet.

In de strijd die komt, en die sommigen van ons al zijn binnengegaan, kan onze Legeraanvoerder het Zich niet veroorloven dat er in uw wapenuitrusting zwakke plekken zitten, gaten, die de vijand direct zal gebruiken om u uit te schakelen. Uw Legeraanvoerder is tegelijk uw Vriend en uw Vader... dacht u dat Hij u zó de strijd in laat gaan?! Daarvoor houdt Hij teveel van u! Dus nu niet schrikken als Hij de komende tijd die openingen in uw uitrusting, die wonden in uw leven, en nog zoveel meer, liefdevol komt aanwijzen. Niet proberen goed te zijn, te ontkennen... dat hoeft toch niet; alles ís toch volbracht voor u?! Alles ís toch al goed tussen u en Hem?! Hij moet u nu alleen leren dat dat genade is. Heel diepe genade! Omdat u niet goed bent, en nooit zijn zult -daarom stierf Hij immers voor u? Adam en Eva, onze eerste voorouders, verborgen zich voor Hem achter een bosje. Het is niet nodig! Wees dapper, en geef wat Hij u de komende tijd laat zien aan Hem. Vraag vergeving, vertrouw op Zijn vergeving, en dank en prijs Hem ervoor. Doe zo met alles wat Hij u laat zien. Soms zult u het misschien oneerlijk vinden dat Hij met iets bij u komt waaraan u part noch deel had, maar wat iemand uit uw voorgeslacht blijkt te hebben gedaan. Maar bedenk, het is uw Vader, het is uw Vriend en Verlosser Die er mee bij u komt. De band met dát deel, dat zóndig deel van de familiegeschiedenis moet door. En dat doet u door plaatsvervangend de zonde te belijden, vergeving te vragen voor deze zonde in je familie, en het bloed van Jezus gelovig te aanvaarden als ook dit deel van jouw leven reinigend.

Heel diep moet onze God gaan. Een leger zonder wonden, zonder onbeleden zonden, zonder diep verborgen donkere mogelijkheden, is alleen het leger wat Hij de strijd die komt veilig binnen voeren kan. Een leger dat door de dood heen, als Israël eens door de Jordaan, een totaal nieuw leven van volkomen eenheid met de Aanvoerder, Jezus, de Zoon van God is binnengegaan. Is dat, en het vrijkomen van ons land, de doorbraak van Zijn liefelijk licht over ons land, niet alles waard?!



In het voorgaande, in het verslag van een taxirit door een van Nederlands steden, hebt u dingen gezien, woorden gehoord, die afschuwelijk waren. Je zou er aan gewoon raken, als je ze veel hoort, als je ze veel ziet, als je leven er uit bestaat en het leven om je heen. Dat is precies de strategie van satan, die stukje bij beetje verder gaat, verder gaat, verder gaat om alles zijn donkere diepte in te voeren. Op de voorkant van dit verslag ziet u een onderzeeër, onder water varend. Vlak onder deze onderzeeër ziet u een mens, een mens... die in het geheim, zonder dat iemand aan het oppervlakte het ziet, de onderzeeër uit is gewerkt, en nu dood wegzinkt in de diepte. Achter de grote, donkere onderzeeër ziet u een lichte mini-onderzeeër, gadeslaand wat er gebeurt. In dit verslag hèbben we gadegeslagen wat gebeurt, elke dag, om ons heen, in de dorpen en steden van dit land. Mensen zien het niet, mensen erkennen het niet, maar onder het oppervlak van de mensenzee die ons land bedekt, vaart een donkere macht. Ongezien, maar niet minder reëel. Ongezien, maar niet minder dodelijk. Mensen lachen er om als iemand er over spreekt. Stel je voor, alleen de gedachte al. Middeleeuws gewoon. Maar ongestopt en ongehinderd gaat deze macht door. Ook hij heeft een plan. Net als God. Hij wil dan ook als God zijn. Aanbeden worden. En het lukt hem aardig. In Nederland. In ons land. In zogenáámd óns land, want hij heeft het stevig in zijn greep, dus wat valt er nog te praten over óns land. We zijn opnieuw bezet. En deze bezetter wordt juichend binnengehaald. Althans, niet hijzelf, maar dat wat hij voor zich uitschuift, de berg vuil waar hij zich achter verschuilt. Maar wie het vuil aanvaardt, aanvaardt hem, en komt onder zijn autoriteit! Wist u dat deze ongeziene, als een duikboot, een duistere onderzeeër, verborgen onder de mensenmassa's van onze steden en dorpen sluipende macht werkelijk de macht in handen heeft in Holland?! Het is een sluipende overname geweest, we zijn er allemaal ingetuind, hebben niet op onze post gestaan in gebed. En zij, de weinigen, de trouwen, die dat wel stonden, konden door de slaperigheid van hun broers en zussen onvoldoende veranderen. Want een gezamenlijke inspanning, een in eenheid en zonder ophouden komen voor de troon van onze God is nodig om deze invasie, deze overname, deze bezetting te stoppen, en de bezetter te verdrijven.

In abortussen, dagelijks, tientallen, honderden, inmiddels duizenden, tienduizenden abortussen in ons land, op onze van God gegeven bodem, heeft hij de Molochdienst hersteld. En onze kinderen verdwijnen als in oude tijden in de vurige bek van deze afgod, worden doodgeknepen door de tang van de aborteur ... weer een, en weer een, en weer een, en weer een... Bloed, bergen bloed, bloed roept uit Holland tot God in de hemel. Zou Hij niet horen?! De Rechtvaardige. Denkt onze regering echt door te kunnen gaan met business as usual, als de economie maar draait, het volk haar voedsel maar krijgt, en alle luxe waar het mee verwend is geraakt?! Die in de hemel woont, zal lachen om onze krampachtige pogingen de economie van dit land gezond te houden. Hij blaast, en Holland is niet meer! Zouden we dan geen orde op zaken stellen? Eindelijk ons bezig houden met de dingen waarop het aankomt?! Waarop de God Die dit land grondveste en Die het haar zelfstandigheid gaf, vindt dat het aankomt?!

Ongezien, in sluipvaart, gaat satan met zijn in dit land gestationeerde troepen door. Laagje voor laagje berooft hij het volk van Holland van haar geweten, van haar besef van goed en kwaad. Wat nu "moet kunnen", kon enige tijd geleden nog niet, en wat nu nog niet kan, nog taboe is, zal binnenkort wel kunnen. Er is geen weg terug, dan een totale oorlogsverklaring aan de duistere, ongeziene macht achter de totale ineenstorting van ons land. En niemand anders dan wij, Gods kinderen in Holland, moeten dit doen. Zijn geroepen om dat te doen. Zijn op straffe van onze kinderen en kleinkinderen te zien wegzinken, en een heel land met hen, in de donkere diepte onder deze onderzeeër, zó van Godswege genoodzaakt om eindelijk op de bres te komen. HET IS GEEN TIJD MEER VOOR NOG IETS ANDERS!

Hoe voeren we deze strijd, deze totale oorlog tegen satan?! In de eerste plaats: denk aan de woestijn, de training, het sterven aan jezelf, het Gods Stem leren verstaan, en het eenworden met de Here Jezus. Maar dan ook, in Hem, in eenheid met Hem, is er een land te heroveren. Als eens Israël.

In Deuteronomium 7: 1 t/m 6 lezen we:

"Wanneer u de HERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethie­ten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij; en de HERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden dienen; en de toorn des HEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen. Maar alzo zult gij hen doen; hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesneden beelden met vuur verbranden. Want gij zijt een heilig volk de HERE, uw God; u heeft de HERE, uw God, verkoren dat gij Hem tot volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn".

Dat laatste, "u heeft de HERE, uw God, verkoren dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken", geldt Israël, het Joodse volk, Gods volk in Zijn land, nu, nog steeds. Sinds de Pinksterdag, sinds het heil dat uit de Joden is, nog steeds, door hun prediking ons heidenen erbij geroepen heeft, en wij als wilde olijftakken ingeënt zijn op de edele olijfboom, Israël, met de saprijke Wortel Jeshua, de Bron van hun en ons leven... geldt op een geestelijke wijze bovenstaan­de marsorder van de hemelse Generaal ook ons. Niet langer gaat de strijd tegen mensen van vlees en bloed (Efeze 6:10 t/m 20), maar tegen de boze geesten in de lucht, zegt Paulus. In de marsorder die Israël, onze broeders van ouds, vlak voor de aanvang van de totale aanval om het land voor God te herove­ren, ontving, in die marsorder ontvangen ook wij onze instruc­ties. Helder en klaar zegt onze God ons dat de machten die ons land bezet houden ver boven onze macht zijn. Groter in aantal, en sterker dan wij. Nou, dat hadden we al gemerkt. En we hadden het bijltje er daarom bijna allemaal al bij neergelegd. Wie kan keren wat in ons land gaande is? Wie kan op tegen wat satan hier keer op keer voor elkaar krijgt?

"Zeven volken, groter en machtiger dan jullie". Inderdaad. Maar Wie is een God, behalve onze Here?! Groot en machtig is Hij. Er is niemand zoals U!

Duidelijk wordt de vijand, zijn sterkte en zijn strategieën in deze marsorder weergegeven in de namen en hun betekenissen van de machten die overwonnen moeten worden, de machten die heersen over Gods land, over ons land.

De Hethieten, een volk wiens naam in het Hebreeuws weergeeft: donker, duister, angst, bang zijn. Giganten, die heersen in het land door niets anders dan dat. Verspreiding van angst, en daardoor hun greep op de omgeving al maar verstevigen. En groot ís de angst in ons land. Om uit de toon te vallen. Om niet aardig gevonden te worden. Om alleen te staan in een overtuiging. Om door mensen van aanzien en statuur niet voor vol te worden aangezien! En timide buigt een volk onder het juk door ongeziene geestelijke machten hen opgelegd. Wie durft zijn stem te verheffen tegen de gangbare mening in. Wie staat op, en zegt dat ons land God toebehoort! Dat Hij aan haar begin staat, en dat Hij ook nu aan het roer wil staan. Wie staat op, en zegt dat Hij houdt van de Hollander, maar onze zonden verafschuwt. Wie staat op, en zegt, heenbrekend door alle vrees, Jezus is Here over Holland. Het land behoort Hem. Wijk duister!

De Girgasieten waren mensen die op klei, in het laagland leefden. Hun naam staat in het Hebreeuws voor liefde voor de wereld. Vol is ons land, ook ons land, met machten, ongezien, die ons volk in de greep houden van deze liefde voor de wereld. Alle liefde voor God kapot makend. De mensen bindend aan een leven vol dingen die niet bevredigen.

De Amorieten, een geduchte vijand, waren hooglanders. Zij leefden hoog in de bergen. In het Hebreeuws staat hun naam voor hardleerse geest, en geestelijke hoogmoed. Hoe denkt u dat het er uit de hoge uitziet als Nederland weer eens haar vingertje heft naar andere landen en volken op Gods aarde, terwijl Hij ziet dat het land vol is van dingen waarom Hij haar zou moeten wegdoen, teruggeven aan de zee?!

De Kanaänieten bevolkten heel het land, en leefden daar in de valleien en lage plaatsen. Deze macht, waarzij voor staan, die onze Generaal uit Holland weg wil hebben, staat in het Hebreeuws voor depressie, negatieve houding, geloof ondermijnende veroordeling. Zij staat niet toe dat ook maar ergens in dit land gezondheid, geestelijke gezondheid komen kan voor de massa's die door zijn invloed depressief zijn, en voor wie de psychiaters geen oplossing weten. Taboe is door zijn invloed bij vrijwel alle hulpverleners dat Jezus het antwoord is voor depressies en de daarachter liggende noden van dit land. Deze macht moet uit dit land weg!

De Ferezieten waren een interessante bevolkingsgroep in het oude Kanaän. Als enigen ommuurden zij hun steden niet. In het Hebreeuws staat hun naam voor onbemuurd, ongedisciplineerd! De geestelijke macht, die zij uitbeelden, die ook in ons land werkt, en die ook hier met Gods hulp verdreven moet worden, is de vuile geest die ons land overspoelt met overspel, onreinheid, perversie en gemeenheid. De geest die alle beschermende muren neerhaalt, en onder de kreet "moet kunnen" het rioolwater uit beeldschermen en billbords, uit muziek en kinderboeken de ziel van ons volk laat binnenstromen en vergiftigen!

De Hevieten waren midlanders. Zij woonden niet hoog in de bergen, niet in de valleien, maar ergens in het midden. In het Hebreeuws staat hun naam voor middelmatigheid of lauwheid. Ziet u hoe hier de machten die, als Kanaän in oude tijden, ook ons land bezetten, samenvloeien? Hoe in ons land een geest van angst -ontkend, maar onmiskenbaar- verhindert dat ècht opgetreden wordt tegen wat de ziel van ons volk vergiftigt, en dat de geest van lauwheid, onverschilligheid, dat gebrek aan daadkracht nog versterkt?

De laatste vijanden in Kanaän waren de Jebusieten. Hun naam staat in het Hebreeuws voor actief zijn. In beslag genomen worden door de bezigheden van dit leven, hoezeer leeft ook deze geest onder ons, in het altijd bezige Holland. De economie, de economie, de economie, groei, groei, groei, wat zijn de cijfers?, wat de winstverwachtingen? In beslag genomen, letterlijk, gebonden geraakt aan een geest die ons als volk geen tijd laat om op zoek te gaan wat toch die soms zo knagen­de onbevredigdheid onder ons volle, drukke leven kan zijn. Of het soms te maken kan hebben met de God Die aan het begin van ons zelfstandig bestaan als volk staat, en van Wie een groot staatsman, de vader des vaderlands, Willem van Oranje beleed: "Mijn Schild en mijn Betrouwen, Zijt Gij, o God mijn Heer! Op U zo wil ik bouwen, Verlaat mij nimmermeer! Dat ik toch vroom mag blijven, Uw dienaar t'allen stond, De tyrannie verdrijven, Die mij mijn hart doorwondt".

Niet langer zijn het de Spanjaarden, als in Willem's tijd, niet langer zijn het de Duitsers, als in de Tweede Wereldoorlog, die ons land bezet houden. Maar bezet zijn we. En verdreven moet opnieuw de tyrannie worden. De tyrannen die nu Holland in hun greep hebben. De zeven volken, meer in getal en machtiger dan wij. De zeven machten, die door angst, onze liefde voor het aardse, trots, depressie, bandeloosheid, lauwheid en geldzucht van Holland een land hebben gemaakt waarover God huilt, en waarvoor Hij voorbidders zoekt, opdat het niet ondergaat.



Als een ding duidelijk is, dan wel dat Gods gemeente in dit land, dat wij nog niet klaar zijn om de strijd met deze machten aan te gaan. Zozeer is de angst, de liefde voor het aardse, trots, depressie, bandeloosheid, lauwheid en geldzucht ook doorgedrongen in Gods kinderen, dat de vijand hen met gemak onder de duim kan houden. Gered mogen ze dan zijn, maar verder heeft hij geen enkel respect voor hen. "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar jullie, kerk van Holland, wie zijn jullie?" (Handelingen 19:15).

Wij hebben een Leidsman, Die er een eer in stelt dat wat niets is, te vormen tot een machtig leger, vol van de Geest Gods. Zolang wij nog iets zijn, niet niets willen zijn, kan Hij niet doorwerken, dus laten we dat opgeven. We hebben allemaal zo onze dingen, als kinderen van de Vader, waar we stiekum trots op zijn. Immers, zo ver zijn we dan toch maar gekomen. "Wij hebben de leer het zuiverst bewaard", "Bij ons gaat het niet zomaar: er moet echt iets gebeuren met een mens", "Bij ons zijn tenminste de gaven van de Geest er weer, en wij spreken in tongen", "Bij ons heeft God de profeten weer hersteld en zien we het begin van het herstel van de apostelen", en "Bij ons is er zicht op Israël, op Gods eeuwige beloften en de toekomst". En toch zijn we niets, "want indien iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelf in zijn gemoed" (Galaten 6:3). "Wie roemt, die roeme in de Here", om wat Hij in ons, in onze gemeenten en kerkverbanden heeft uitgewerkt, en die zie dat wij leden van één lichaam zijn, en elkaar nodig hebben in de komende strijd. Die zie dat we werkelijk niet zonder elkaar kunnen, en zonder wat de Here als een wijs Bouwmeester ieder van ons heeft gegeven. In een oorlog heeft een generaal zovele troepen nodig. In de strijd die ons wacht, heeft de hemelse Generaal, onze Here Jezus, de bommenwerpers, zijn krachtige voorbidders nodig om de stellingen van de vijand stormrijp te maken. Om van Hem te horen waar de vijand zich ophoudt, en wat de strategie moet zijn, heeft Hij profeten nodig, die als Elisa horen wat er in het diepste geheim door de koning van Syrië wordt uitgedacht (2 Koningen 6:8 t/m 12). Zovele onderdelen heeft het leger van de Here Jezus, en niet een ervan kan gemist worden.

Toen Nederland in oorlog was met Duitsland, de eerste vijf dagen, richtte de aanval van de vijand zich op Den Haag, op de Nederlandse regering, en vooral op de koningin en haar gezin. Had men haar, zo was de gedachte, dan zou de ruggegraat van de Nederlandse verdediging gebroken zijn, en overgave volgen. Precies zo richt de vijand nog steeds op strategische personen al zijn inspanningen. Vallen zij, dan is het verzet gebroken. Leiders van gemeenten, gebedsleiders, profeten zullen een zware tijd krijgen, en hebben ons gebed zeer nodig. Precies zoals de vijand op de kust van Engeland de radarposten, onze ogen, waarmee we de vijand al van ver zagen naderen en tegen­maatregelen konden nemen, probeerde plat te bombarderen, zullen mensen die van God horen, die Zijn Stem verstaan en Zijn woorden doorgeven, zwaar bestookt worden. Doe daar niet aan mee. De radarposten zijn onmisbaar. Beproeft wel alle dingen. Behoudt het goede.

Een andere les uit de strijd tegen het duister in die bange oorlogsjaren is de strijd die de vijand voert om de geesten der mensen. De vijand is een meester in misleiding. Propaganda is zijn machtigste wapen. Zonder de leugen is hij nergens. Hecht men geloof aan zijn verdraaiingen, dan heeft hij macht. In het rijk van Hitler, waar men zich zo volledig liet manipuleren door satan, werden Joden "insekten", de moord op Joodse kinderen, mannen, vrouwen en grijsaards in de gaskamers een "speciale behandeling", en hun volledige vernietiging "de uiteindelijke oplossing". In de strijd die wij binnengaan, en die sommigen van ons al binnengegaan zijn, zal het lijken of zij die getrouw doen wat hun Generaal, Jezus, de Zoon van God hen opdraagt, de meest verwerpelijke mensen zijn die deze aardbodem draagt. Trap er niet in. Vraag uw God hoe het zit, en blijf pal staan in uw gebed achter de frontsoldaten. Zij hebben u nodig.

Op de voorkant van dit verslag van een taxirit door een van Nederlands steden, treft u naast die duikboot van de vijand, in sluipvaart onder de mensenmassa's van ons land, de titel "God huilt". Niet een verzinsel van de schrijver, om de aandacht te trekken, maar God Zelf zette dit als titel er op, omdat het het diepste is wat Hij over Zijn hart kon zeggen als Hij kijkt naar Holland. Vergeet niet, voor God liggen de eeuwen open. Hij ziet nog steeds voor Zich de brandstapels, de trouw en de liefde voor Hem waar alles in dit land mee begon. En Hij huilt. Want wat is er van die liefde en die trouw tot in de dood in dit land geworden?

Toen Jezus vlakbij de stad, Jeruzalem, gekomen was, rijdend op een ezel, op die dag van Zijn glorieuze intocht, barste Hij, Immanuël, God met ons, om haar in tranen uit. God huilt om ónze steden en dorpen, niet minder als toen om Jeruzalem, omdat Hij weet wat er gebeuren gaat, gebeuren móet als er geen bekering komt. Nederland gaat grote catastrofes zien als er geen bekering komt. Zie, en vergis u niet: die bekering moet bij ons, Zijn kinderen, beginnen! Dáárom is het zo belangrijk niet tevreden te zijn met wat God ons in liefde en genade gegeven heeft, maar dieper te zien. Dáárom is het zo belang­rijk Hem te vragen u te doden, uw ik te doden, als het tarwegraan in de aarde, opdat u Hem binnensterft. Hem, de Levende, Die voortaan volkómen uw leven wil zijn. Wees niet tevreden met dit één keer, of een aantal malen gevraagd te hebben, maar maak het uw levensstijl de komende tijd. Gods gemeente in Nederland moet dood, opdat het opstandingsleven van Jezus eindelijk, eindelijk, eindelijk het hare wordt. En Jezus Zijn lichaam heeft in Holland. Waar Hij doorheen kan spreken, genezen, bevrijden, redden wie Hij wil: een grote oogst van mensen, gevangenen, nu nog aan boord van die onderzeeër, zoals de vele jonge mensen die we tegenkwamen op die taxirit. Het gebeurt zo in het verborgene: ongemerkt, en zonder door te hebben waar ze zich werkelijk bevinden, neemt satan hen aan boord in zijn sluipvaart onder de mensenmassa's, en onherroe­pelijk komt het moment dat hij hen dumpt, de diepzee van de duisternis in. Dat moet ophouden. Stoppen. Nu. Onmiddellijk. Gód wil de jeugd van Holland. Hij gunt hen Zijn vijand niet. Wij zijn Zijn instrument. Alleen, dat wij zelf nog leven staat Hem in de weg. Dat is als een waterschot, wat de stroom van Zijn zegen, van Zijn ingrijpen nog tegenhoudt.



Er is nog iets wat voor de komende tijd heel belangrijk is. Misschien denkt u van niet, staat het ver van uw bed, maar onze God vindt het belangrijk. Hij zal de volken, ook Holland, ook daarover aanspreken in het oordeel. In feite kan ons bestaan als volk er van afhangen, hoe wij met dit wat Hij zo belangrijk vindt, omgaan: Israël.

Van oude tijden af, al vrij snel nadat onze God de volken schiep, door de mensheid bij de torenbouw van Babel (Genesis 11) in allerlei taalgroepen te verdelen, riep Hij een van de volken, Israël, om als Zijn volk een voorbeeldvolk te worden voor alle anderen. Opdat de andere volken zouden zien hoe goed het is om eredienst en rechtspraak, regering en dagelijks leven door Hem, de God van Israël te laten inrichten. Wat een zegen het is voor een volk om de God van Israël als God te hebben. Degene Die alles geschapen heeft, Die alleen toekomt alle eer en aanbidding in èlk volk, in èlke staatsvorm, onder álle mensen. Israël heeft als voorbeeld gefaald, zij het dat zij een voorbeeld werd van Gods geduld, liefde, erbarmen, ook als een volk niet leeft naar Zijn hart. Zij het dat zij een voorbeeld werd van de hardnekkigheid van de volken om het eigen leven op te geven en uit de liefde en genade van God te leven. Zij het dat zij een voorbeeld werd van hoe na onvoor­stel­baar veel geduld en waarschuwingen en liefdevolle oproepen God een volk, ook Zijn eigen volk, oordeelt en straft. Er zijn gelukkig tijden geweest dat Israël in diepe liefde met God leefde, als een bruid met haar Bruidegom, maar die zegenrijke liefde duurde steeds maar zo kort. Wel was zij profetie van wat eens komen zal, en nu steeds dichter bij komt: Israël als een koninkrijk van ootmoedige priesters onder Koning Jeshua, Jezus, Die in Jeruzalem Zijn paleis zal hebben. Israël als een ootmoedig, dienend koninkrijk van Zijn priesters, die de andere volken helpen ook van de God van Israël, Die de God van alle volken is, te houden. Zover is het nog niet. Dat is duidelijk. Israël nu vertrouwt nog op haar wapens en intelligentie, op haar vermogen om elke crisis door haar gigantische reservoir aan menselijke begaafdheid en vindingrijkheid te boven te komen. Daarom moet ook Israël sterven. Net als de gemeente. Opdat in dat sterven, een heel volk gered en tot haar heerlijke bestemming gebracht wordt. Want niets van onze menselijke vermogens doet voor God mee. Hoe indrukwekkend wij mensen die ook vinden. God kan er niets mee, wil er niets mee, het moet dood. Het opstandingsleven van Zijn beminde Zoon, Jezus, dat alleen mag het leven zijn wat op deze aarde in Zijn beminde, Israël, en in de andere volken overblijft.

Wat heeft dit alles nu voor betekenis voor ons als volk van Holland? Alles! Toen door de dienst van Joodse apostelen en gelovigen Jezus de heidenwereld binnenkwam, en uiteindelijk ook de lage landen aan de zee bereikte, was iets ontstaan wat slechts tijdelijk was: de gemeente! God wil over heel Zijn aarde de vólken hebben, niet slechts een deel van hen, de gemeente. Straks, na Zijn terugkomst, zullen ook de vólken voor Hem vergaderd zijn, en Hem aanbidden en lof brengen. En de vólken zullen optrekken van jaar tot jaar om in Jeruzalem het loofhuttenfeest te vieren. De gemeente heeft nu in de volken de taak om naar Israël toe op haar beurt een voorbeeld te zijn van hoe goed het is te leven met de God van Israël op grond van het enig offer wat Hem behaagt, namelijk het leven van Zijn Zoon, Jezus. Dat is de taak naar Israël. Zoals Paulus zegt, opdat door onze barmhartigheid, zij barmhartigheid zouden verkrijgen. Wij, die alleen naar reden hebben om naar Israël toe ootmoedig te zijn, want wij waren ver weg van God, en door Joodse broers en zussen zijn wij bij Jezus gebracht. Wij, die alleen maar reden hebben om ootmoedig te zijn naar Israël toe, omdat in Gods plan zij nog steeds de eerste viool spelen, en de gemeente de tweede. Wij zijn er om hen te helpen op die heerlijke plek te komen die onze God voor hen heeft. Koninkrijk van priesters, ootmoedig dienend alle volken, hen helpend om ook met diepe liefde van de God van Israël, hun God, te houden.

Dat is onze eerste taak, de eerste reden van ons bestaan: Israël helpen tot haar bestemming te komen. Ootmoed, bergen ootmoed, en liefde, bergen liefde zijn daar voor de gemeente voor nodig.

Onze tweede taak is het volk waar wij wonen, waar God ons geboren deed worden, en liefde voor gaf, op haar bestemming te brengen. De gemeente is er niet voor zichzelf, maar om te dienen. Zó wil Jezus, de Dienstknecht, in haar leven, en door haar heen werken.

En nu komen we bij de reden waarom we hier over begonnen. Niet alleen de gemeente in Holland heeft haar taak naar Israël toe nog niet vervuld zoals zou moeten, maar ook wij als volk, onze regering, ziet nog niet waar zij naar Israël toe alleen toe geroepen is. En wij, als gemeente, moeten onze regering en ons volk daar bij helpen. Opdat ons volk geen oordeel over zich haalt, omdat zij zich bezondigt aan Gods oogappel, Israël, hoezeer ook zelf verwijderd van Gods bestemming. Onze regering, ons volk moet gaan zien dat Gods land, Gods land is, wat Hij geeft aan wie Hij wil. Dat Hij het gegeven heeft aan Israël, Zijn volk, tot een eeuwige bezitting. Dat weliswaar door hun ongeloof in Zijn voorziening voor onze zonden, en hun vertrouwen op eigen al dan niet religieuze inbreng, zij al een aantal malen door God het land zijn uitgezet, maar dat telkens weer zij, die al te willige instrumenten daarvoor waren, de volken die Israël benauwden, aanvielen en verdreven, door God Zelf met vernietiging zijn bedreigd. Het Palestijnse volk, wat geen volk is, maar wat Arabieren zijn die in de loop van de twintigste eeuw naar Israël kwamen omdat dat stoffige, vergeten stukje aarde tot bloei en welvaart kwam onder hard werkende Joodse handen, het Palestijnse volk zou een grote zegen ervaren, en een grote zegen in het land kunnen zijn, als zij Israëls plaats bij God zou erkennen. Als zij dankbaar en ootmoedig naar God in Israëls tenten als begenadigden door Israëls God zo innig door Hem bemind als vrienden zouden aanschuiven. God heeft hen nooit dit land beloofd. Geen stukje er van. Het is al zo'n genade om Israëls God te mogen kennen, Zijn liefde voor jou te ervaren, en mèt Hem vreugde te gaan beleven aan het feit dat Hij een ander, Israël, het Joodse volk, heeft uitgekozen om de eerste viool te spelen en het land te bezitten.

En nu Holland, wat meedraait in het mediacircus van satan, en een terrorist, een moordenaar, een man die de God van Israël noch kent, noch erkent, en Diens machtig spreken: "Dit is Mijn land, en dit is Mijn volk. Het land behoort hen", achteloos aan de kant schuift... Holland, wat zo'n man, een moderne Haman, binnenhaalt als een vorst, en hem steunt in zijn aanspraken op een staat op Gods eigen land. Ongehoord. Afschuwelijk. Politiek correct, want de meute roept zo, maar zéér tot schade van Nederlands belangen aan het hemelhof.

Help onze regering, help ons volk, kerk van Nederland. Opdat onze God niet komt, en ons land óók vanwege Israël slaat.



In het voorgaande, in heel dit verslag van een taxirit door een van Nederlands steden, heeft u het hart van onze Vader in de hemel, en van onze Verlosser en Vriend, de Here Jezus gehoord. Vol liefde, en bewogenheid is Hij voor dit land, door Hem in aanzijn geroepen. Wat zal het zijn, dat Hij haar moet doen? Móet doen! Keert het terug naar haar wortels, Zijn gemeente als eerste? Naar haar begintijd van liefde, van gehoorzaamheid tot de dood? Of hoort ze niet, en moet Hij haar straffen? Moet Hij schudden, om dit land, om Zijn gemeente in dit land wakker te krijgen? Of zijn Zijn woorden van liefde en waarschuwing, van oproep en voorziening genoeg? Liever schudt Hij niet. Hij houdt van ons. Van ons allen. Van Holland. Zijn gemeente, en wie daar nog niet toe behoren. Maar schudden kan nodig, kan noodzakelijk zijn. Het is aan ons, Zijn kinderen. Zijn schudden kan pijnlijk zijn. Het is aan ons, Zijn kinderen, wat er nodig zal zijn.

Schudden is wat onze God almeer wereldwijd doet en doen zal. Het boek Openbaring laat er geen twijfel over bestaan dat de rampen in steeds toenemende mate over de aarde zullen gaan zwiepen. Nu is het nog satan, die in zijn vuige plannen kwaad beraamt en willige werktuigen vindt om zijn dood en verderf te zaaien. Door gebed van vooraf, soms jaren, soms maanden eerder door Hem gewaarschuwde kinderen van God, die Zijn Stem leerden verstaan, wordt nog veel tegengehouden, en dat wat God wèl toelaat, nog getemperd in zijn afschuwelijke intensiteit. Zoals op 11 september 2001, tijdens de aanvallen op het World Trade Centre en het Pentagon in NewYork en Washington in de Verenigde Staten van Amerika. Maar dat blijft niet zo! God is niet geïnteresseerd in de voortzetting van òns project aarde, Hij verlangt naar Zijn níeuwe aarde, waarop gerechtigheid wónen zal, en geen kwaad meer zijn zal, en ieder Hem kennen en van Hem houden zal. Hij is dat zo waard. Hij is het zo waard dat wij mèt Hem daar naar verlangen, daar naar uitzien. De enige reden waarom God nog gebeden om uitstel van dat zo mooie, èn van de oordelen die er aan vooraf gaan, verhoort, is niet om ons ons slaperige, lauwe, christelijke leventje nog wat langer te gunnen. De enige reden waarom God nog gebeden om uitstel van dat zo mooie, wat Hij brengen en scheppen komt, èn van de oordelen die er aan voorafgaan, verhoort, is bepaald niet omdat Hij de wereld die wíj geschapen hebben, zónder Hem, op Zíjn aarde, toch maar wil tolereren. Ook al gaat ze volledig zonder Hem op Zijn aarde verder. Ook al doet ze alles wat Hij in liefde, als Vader Die weet wat goed voor ons is, verboden heeft. Nee, de enige reden waarom onze Vader in de hemel, en de Here Jezus, onze gebeden om uitstel nog verhoren wil, is Zijn verlangen naar een grote oogst, een grote oogst van mensen, binnengehaald door Zijn kinderen, voordat Hij definitief ingrijpt. Dus elk gebed om uitstel, in wat voor woorden ook gezegd, dient vergezeld te gaan van het aanbieden van uw leven als offer, om gebruikt te worden voor hen naar wie Gods hart in bewogenheid en liefde uitgaat. Jezus gaf Zijn leven voor u. Nu is het de tijd om uw leven voor Hem, voor Zijn heerlijk werken door u heen, te geven. De dood van het tarwegraan, u weet het, de dood van uw ik is het enige offer wat nu, in deze laatste dagen, als werkelijk een liefdegeur op kan stijgen tot uw Vader, en uw Verlosser en Vriend. Laat Zijn hart en verlangen, en laten de gebeden van de Heilige Geest, de uwe zijn. Er is geen tijd meer voor iets anders. En er zal geen uitstel meer voor iets anders zijn. God heeft haast. Hij verlangt naar het nieuwe. Maar Hij wil ons allen er bij hebben.

Wa